Argumenten tegen verweer Postbank en ING groep.
De Rode Draad heeft het verweer van de Postbank en de ING groep gelezen, maar vond de argumenten niet overtuigend.
Terecht geeft de postbank aan geen zaken te willen doen met illegale bedrijven. Prostitutiebedrijven zijn echter sinds oktober 2000 niet meer illegaal.
Dat dit niet het geval is op internationaal niveau, vinden we geen sterk argument. Wij kunnen ons niet voorstellen dat de ING geen zaken doet met hotelketens, restaurants en wijnimporteurs die een product leveren (alcohol) dat ook in veel landen verboden is.
Het argument van dat de opheffing van het bordeelverbod leidt tot contractdwang, vinden wij ook niet steekhoudend. Het is juist dat een bedrijf individuen kan weigeren, maar om zonder reden een totale beroepsgroep te weigeren, riekt naar discriminatie. Men kent de achtergronden van de personen immers niet. Het staat een bank vrij om bijvoorbeeld een caféhouder te weigeren die aantoonbaar criminele praktijken in de zaak toelaat, maar dat kan toch niet leiden tot uitsluiting van de gehele horecabranche. Ook al beweren ING en Postbank niet de intentie te hebben een groep te discrimineren, dan kan het huidige beleid wel in discriminatie uitmonden. De Commissie Gelijke Behandeling heeft dit in andere gevallen reeds erkend. Met andere woorden, we zien geen reden tot een beleid van uitsluiting van een beroepsgroep op grond van malversaties die enkele leden van een beroepsgroep hebben gepleegd.
Overigens wijzen wij erop dat de horecabranche de laatste eeuw ook dankzij maatschappelijke erkenning en het verkrijgen van toegang tot ‘de normale maatschappelijke dienstverlening’, respectabel is geworden.
De legalisering van prostitutiebedrijven zal een vergelijkbare sanering teweeg brengen. De vergunningplichtige bedrijven worden immers gedwongen om zich aan gangbare normen van bedrijfsvoering te houden. Juist degenen die dit niet willen zullen zich niet als prostitutiebedrijf bekend maken en ook niet als zodanig een rekening willen openen.
Wij weten ook dat de gevestigde bedrijven in de branche, waarvan een deel zich schuldig heeft gemaakt aan vrouwenhandel, witwassen van gelden en dergelijke, vooral door mannen worden gerund. Deze bedrijven hebben in het algemeen onder een andere noemer dan prostitutiebedrijf hun financiën geregeld.
De uitsluiting van de seksbranche treft echter vooral de starters in de prostitutie. Dit zijn vooral vrouwen die wit willen gaan werken en professioneel een eenmansbedrijfje willen opzetten. Hun professionaliteit bestaat eruit dat ze een zakelijke rekening willen openen om de privefinanciën te scheiden van de zakelijke. Ook zij willen immers investeringen vanuit een zakelijke rekening kunnen betalen. Daarom is het argument dat individuen wel een particuliere rekening kunnen openen, niet relevant. Dit argument gaat totaal voorbij aan het feit dat de prostituees die als (kleine) zelfstandigen werken, professionals zijn die net als andere professionals hun zakelijke en privefinancien willen scheiden. Terecht wijst men erop dat de seksbranche niet alleen prostitutiebedrijven omvat. Ook de doelgroep van de Rode Draad omvat andere zelfstandig werkenden in de seksbranche: strippers, de personen die 06-sekslijnen bemannen en werkenden in peepshows. Voor hen geldt wat ons betreft hetzelfde als voor zelfstandige prostituees. Ook de starters onder hen moeten in staat zijn een zakelijke rekening te kunnen openen. Hoewel er ook mannelijke strippers zijn, is weer een groot deel van deze doelgroep vrouw.
Dat de groep van kleine zelfstandigen een financieel risico oplevert, is een bewering die we niet kunnen staven. In tegenstelling tot andere niet-dienstverlenende bedrijven werken zij meestal met geringe investeringen. Hun belangrijkste kapitaal is de persoonlijke inzet. In de meeste gevallen zijn dit eenmansbedrijven of kleinschalige maatschappen.
Het gaat er bij hen vooral om aan te kunnen tonen dat zij witte inkomsten hebben van waaruit zij enkele investeringen kunnen doen.
Het argument dat prostitutie weliswaar niet illegaal meer is, maar wel maatschappelijk onaanvaardbaar is, valt te betwisten. De legaliseringoperatie was juist een gevolg van de acceptatie van de samenleving van de aanwezigheid van prostitutie. Ook overheden erkennen het bestaan en het economische belang van prostitutie. De gemeente Amsterdam bijvoorbeeld dankt een groot deel van haar inkomsten uit het toerisme aan de aanwezigheid van het ‘world famous red light district’.
De Rode Draad zal de laatste instantie zijn om het stigma dat op prostitutie rust te ontkennen. Helaas komt de hele last van het stigma neer op de vrouwen die erin werken. Een bank vraagt bijvoorbeeld nooit een bedrijf of er wel eens bedrijfsuitjes naar ‘herenclubs’ worden georganiseerd. Als men prostituees als klant weigert omdat zij maatschappelijk onaanvaardbaar werk verrichten, moet men eigenlijk ook hun klanten weigeren.
Conclusie: Prostitutie is een geaccepteerde bedrijfstak geworden. De weigering om sinds de legalisering van seksbedrijven zaken met de branche te doen, treft vooral startende vrouwen. Zij mogen niet het slachtoffer worden van de malversaties die enkele grotere seksbedrijven, meestal onder een andere noemer dan prostitutiebedrijf hebben gepleegd.
De Rode Draad juicht het toe dat banken geen zaken willen doen met bedrijven die in de illegaliteit opereren. Dat argument gaat echter niet op voor de seksbranche. Dat het openen van zakelijke rekeningen voor zelfstandige starters een te groot risico oplevert, is ongegrond.











