
- Op de rand van het bed in een peeskamer. Foto S.Altink
‘Die vent ligt zelf met die vrouwen in de bosjes maar scheldt wel steeds op de overlast die mijn hotel zou geven’, zei eind jaren tachtig een beheerster van een zogeheten peeshotel tegen mij. Ze vond het onrechtvaardig dat buurtbewoners over overlast van haar etablissement klaagden, maar wel van de diensten van tippelaarsters gebruik maakten. Haar ‘buur’ was kennelijk het soort klant dat met een vrouw de bosjes indook om de luizige 25 gulden voor een hotelkamer uit te sparen. Naar mijn weten had toen niemand het al over ‘afwerkhotels’ of ‘afwerkstruiken’.
Begin jaren negentig bedachten beleidsmakers dat een verkorting van het ‘traject’ tussen contact leggen en seksuele dienstverlening de overlast van straatprostitutie zou doen verminderen. Sindsdien zijn peeshotels en straatprostitutie in verband met overlastbestrijding vrijwel uit de stadscentra verdwenen en naar buitenwijken verplaatst.
Gemeentebesturen richtten op die ‘tippelzones’ hokken in – afwerkplaatsen - waar automobilisten konden worden afgewerkt en niet meer de stad in hoefden. Voor de vrouwen was dit ook veiliger; ze konden op de zone blijven en liepen tevens minder risico op een onbekende plek verkracht of mishandeld te worden.
Behalve overlastbestrijding en veiligheid speelde- heel modern - het milieuaspect mee. Fietsers en wandelaars werden namelijk beloond met een eigen ‘afwerkplek’, een soort urinoir.
Het leek zo mooi. Maar de zones bleken voor de doelgroep van verslaafden te ver weg te liggen. De kranten staan tegenwoordig bol van berichten over de afwezigheid van crack gebruikende vrouwen op de tippelzones. Door de komst van crack is het traject naar behoefte aan nieuwe dope ingrijpend verkort. Het nieuwste van het nieuwste is dan ook een ideetje uit het Groningse om bij tippelzones parkeerplaatsen voor pooiers – wat ook leuk is voor dealers -te reserveren, waar zij hun behoefte aan geld kunnen ‘afwerken’.
De laatste jaren is het woord ‘afwerkplek’ bijna tot een evergreen onder de neologismen geworden. Het leuke van de term ‘afwerkplek’ is dat het verwijst naar ‘prostitutie als werk, als arbeid’. De laatste decennia hebben prostitues (m/v) immers gestreden voor erkenning van hun werk als arbeid. Aan de andere kant wekt het woord ‘afwerken’ de indruk dat het slechts om een verfraaiing of een kleinigheid gaat. Waarom gebruikt men de term ‘afwerkplek’ alleen voor een vorm van een prostitutie die laag in aanzien staat en niet voor die in bijvoorbeeld clubs? Dat is niet terecht, want op straat moeten vrouwen net zo hard werken als in een dure seksclub.
En waarom wordt de term ‘afwerkplek’ alleen gereserveerd voor prostitutie van vrouwen? Mannelijke prostitues tippelen ook, maar zij mogen wel de gehele openbare ruimte gebruiken. Is het omdat traditioneel het werk van vrouwen zich in en om de huiskamer afspeelt- in dit geval een huiskamer waar hulpverleners koffie schenken?
Niet alleen in de straatprostitutie, maar in de hele seksindustrie heeft het modieuze denken in ‘korte en lange trajecten’ ingang gevonden. Deze trend is in de jaren zeventig ingezet. Door de opkomst van seksclubs hoefden klanten niet meer hele straten af te struinen of diverse bars af te zoeken alvorens tot een keuze te kunnen komen. De clubs hebben voor hen het traject tussen contact maken en de seksuele dienstverlening aanzienlijk verkort.
Prostitutie is een spiegel van de samenleving, zeggen ze altijd. Standaardisering en taylorisering- het opdelen van productietijd in efficiënte eenheden- komen in feite overal voor. Zelfs het moderne huiselijk leven is ingedeeld in beperkte taakeenheden zoals quality time en de routing van het aankleden van de kinderen. Is seks in het huishouden ook slechts een sluitpost op de begroting van het ‘product relatie’?
Sietske Altink
Verschenen in Lover 2001











