- Prostituees bij een als tabakswinkel vermomd bordeel in de omgeving van de Oudezijds Achterburgwal te Amsterdam. Uit: P.J. de Bruine Ploos van Amstel. (1929)
Vanaf het begin van de twintigste eeuw zwalkt de overheid in haar prostitutiebeleid tussen verbieden, tolereren, decriminaliseren en het gereguleerd legaliseren. De poging prostitutie te verbieden stamt uit 1911, toen het geven van gelegenheid krachtens artikel 250 bis Wetboek van Strafrecht werd verboden. De tekst van dit artikel, in de wandeling het bordeelverbod genoemd, luidde: ‘Hij die van het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door anderen met derden een beroep of gewoonte maakt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van ten hoogste tweeduizend gulden.’
Het bordeelverbod viel echter in de praktijk moeilijk te handhaven. Bordeelhouders lieten zich er niet door afschrikken. Het was niet verboden om als prostituee te werken. Prostituees konden alleen worden opgepakt op grond van algemene politieverordeningen tegen overlast. Het was een onhoudbare situatie. In 1963 publiceerde het politieblad ongezouten kritiek op een actie waarbij klanten van bermprostituees waren aangehouden wegens vermeende sadistische neigingen. Een smoes, want ‘die mannen hadden immers niets strafbaars gedaan.’
In de jaren zeventig werd art. 250 bis Wetboek van Strafrecht nauwelijks meer toegepast. De commissie Melai had in 1977 de overheid afgeraden betaalde seksuele contacten tegen te gaan.
In dit toleranter wordende klimaat konden seksclubs gedijen. Zij vestigden zich ook buiten de traditionele rosse buurten. En clubeigenaren openden filialen in verschillende steden. Ook het platteland werd voor de seksindustrie ontsloten. Seksboerderijen waren door het toenemend autobezit gemakkelijk te bereiken. Door de grotere mobiliteit in alle geledingen van de maatschappij konden prostituees kiezen in welke stad ze wilden werken.
Deze schaalvergroting in de seksindustrie veroorzaakte klachten die in termen van overlast werden geformuleerd.
Vanaf het midden van de jaren zeventig van de vorige eeuw kon de overheid het seksbedrijf niet meer negeren en moest ze haar pogingen staken de prostitutie naar de rand van de samenleving te manoeuvreren. Er zat niets anders op dan prostitutie maar te tolereren, wat weer problemen opleverde met buurtbewoners die zich met openlijk opererende seksbedrijven zagen geconfronteerd. De overlast hoopte men te beperken door de vestiging van seksbedrijven aan regels te binden. Maar iedere poging een geschikte plaats te creëren stuitte op het verbod op gelegenheid te geven tot prostitutie dat vanaf het begin van de twintigste eeuw van kracht was. Sinds het begin van de jaren tachtig woedde er een discussie over het afschaffen of wijzigen van dit zogenoemde bordeelverbod.
In deze discussie speelde de Mr. A. de Graafstichting, later het instituut voor prostitutievraagstukken een rol gespeeld. Halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw nam de jurist Hans Scholtes en zijn collega de socioloog Jan Visser de uitdaging aan de slapende stichting als instituut voor hulpverlening aan prostituees nieuw leven in te blazen. Destijds runde de Graafstichting nog een opvanghuis voor prostituees die wilden stoppen., de Graafschap. In de tijd dat Scholtes en Visser het roer overnamen zat nog slechts één prostituee in de opvang. De heren van de Graafstichting besloten prostitutie als een arbeidsvraagstuk te benaderen en het als zodanig bij de politiek aan te kaarten.
Jan Visser heeft vanuit de Graafstichting een grote rol gespeeld in de oprichting van De Rode Draad. Hij had zich al eerder solidair betoond met de voorloper: Vrouwen In de Prostitutie (VIP) die het door de wens anoniem te blijven niet had gered.
Begin jaren tachtig ging men er als vanzelfsprekend van uit dat het schrappen van art. 250 bis Wetboek van Strafrecht een positieverbetering voor prostituees met zich mee zou brengen. Bordeelhouders konden vrouwen dan niet meer afhankelijk maken van hun illegale dienstenpakket. Het bordeelverbod was destijds ingesteld om uitbuiting van prostituees te voorkomen. Prostituees wezen er echter op dat een verbod op bedrijven die hun gelegenheid gaven hun brood te verdienen, hen alleen maar de illegaliteit in dreef. Decriminalisering was het panacee tegen alle misstanden in de prostitutie. Alles zou prima geregeld gaan worden op gemeentelijk niveau. Tevens wilde men de autonomie van gemeenten handhaven door hen de mogelijkheid te bieden een vergunningenstelsel te ontwerpen, waardoor men dacht dat gemeenten het zelf konden regelen. Beleidsmedewerkers van gemeenten togen enthousiast aan het werk om ontwerpvergunningenstelsels te maken. Men wilde vooral de brandveiligheid en de hygiëne goed organiseren. Men dacht bijvoorbeeld na over de hoeveelheid daglicht die moest binnenvallen in een werkruimte. De algemene klacht was dat prostituees te veel afhankelijk van exploitanten werden gemaakt. Ook zouden het alleenwerkenden en vrouwen met kleine bedrijfjes het moeilijk worden gemaakt. Destiijds vroeg de Rode Draad zich al af of het zin had vooral bestaande bedrijven van een vergunning te voorzien: ‘Wat maakt het uit of ik tussen het bloemetjesbehang, de boeddhabeelden of tussen tekeningen van Rien Poortvliet in zit, zolang de arbeidsomstandigheden maar goed zijn’, zo luidde het commentaar van een prostituee op de plannen van de overheid om een prostitutiebeleid vorm te geven.
Aanvankelijk benaderde men de bisnis nog als één blok. Later kreeg men oog voor de verschillende belangen van bazen en prostituees in de sector. De oude definitie van prostitutie als ‘het tegen betaling verrichten of dulden van seksuele handelingen’, suggereert dat prostitutie slechts een overeenkomst is tussen één man en één vrouw. Maar voordat de prostituee haar geld krijgt, gaat het eerst door de handen van andere belanghebbenden.
In de tijd dat de discussie zich nog op overlast toespitste, schoor men exploitanten en prostituees nog over één kam. Halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw drong het besef door dat exploitanten en prostituees twee partijen vormden. Vanaf toen werden de arbeidsvoorwaarden – waaronder bijvoorbeeld de verdiensten vallen- en de arbeidsverhoudingen- de relatie met de bazen- onder vuur genomen. Sekswerkers vonden de plannen van de overheid de gelegenheid bij uitstek om hun positie aan de orde te stellen. De algemene klacht was dat prostituees te afhankelijk van exploitanten werden gemaakt. Ook zouden zelfstandig werkende prostituees en vrouwen met kleine bedrijfjes te weinig ruimte krijgen. Prostituees vroegen zich toen al of de voorgestelde door de vergunningenstelsels van gemeenten wel een probaat middel was in de strijd voor positieverbetering. De gemeenten wilden toen vooral bestaande bedrijven met hun slechte arbeidsvoorwaarden voor een vergunning in aanmerking laten komen. Achteraf gezien had De Rode Draad al halverwege de jaren tachtig gelijk.
De positie van prostituees was verre van rooskleurig. Prostituees eisten daarom dat legalisering gepaard moest gaan met positieverbetering. (link eerst rechten)
‘ De overheid heeft ons wel bestudeerd, maar wij hebben niet de gelegenheid gehad de overheid te bestuderen. Politici bezoeken hier en daar wel eens bordeeltje en dan hobbelen ze achter een ambtenaar aan, die een programmaatje heeft samengesteld in de trant van, o jee, kijk ons een beetje ondeugend wezen. Wat zien ze dan, met wie praten ze dan?’ aldus enkele vrouwen van De Rode Draad tijdens een discussie over de opheffing van het bordeelverbod in 1991.
Het gesprek hierover was nog volop op gang toen begin jaren negentig het CDA in de persoon van Hirsch Ballin de hele legaliseringsoperatie afblies. Het paarse kabinet haalde echter de kwestie van de legalisering weer uit het slop.
Het poldermodel in de prostitutie
- "Nena", slachtoffer van mensenhandel gaat naar een hoorzitting in De Tweede Kamer. (1987). Uit: Vrouwenhandel tussen Migrant en Handelswaar', een publicatie van de Socialistische Fractie in het Europees Parlement. (1988). foto: Annelies van Wijk
We schrijven het jaar 2001. De Rode Draad, houdt een grote conferentie in Artis. De zaal is stampvol. Op het podium staan twee grote tafels. Achter de ene tafel hebben overheidsvertegenwoordigers, de belastingdienst en de politie plaatsgenomen. Achter de andere tafel zitten prostituees die de dienaren van de overheid ondervragen. De belastingman beantwoordt vragen van prostituees die maar een paar dagen in de maand wilden werken. Het FNV doet toezeggingen en de politie vertelt over de aanpak van het illegale circuit. De exploitanten liggen weer overhoop met de belastingdienst en met ons.
Een unieke situatie. De ambtenaren en politiemensen doen hun best om de vragen serieus te beantwoorden. Zij dragen allemaal badges met het logo en de naam De Rode Draad. In andere landen is het ondenkbaar dat deze functionarissen zonder morren een badge op zouden doen van een organisatie voor de rechten van de prostituee. Hoewel het prostitutiebeleid nog een rommeltje is, wordt er nergens in de wereld zo gepolderd tussen overheid en prostituees als in Nederland. Zoals een van de medewerksters van De Rode Draad het een keer uitdrukte: het is nooit saai bij De Rode Draad, het ene moment ren je weg voor pooiers in de raamgebieden, het andere moment zit je met de een of andere minister te lunchen.’
Hoe het zo ver is gekomen is een verhaal van monsterverbonden van heel uiteenlopende instanties die eensgezind waren in de noodzaak van legalisering. Hierbij waren veel mensen met een sterk politiek netwerk betrokken. Zij slaagden erin een probleem te formuleren dat alleen maar opgelost kon worden door legalisering van prostitutie. Toen was het probleem de overlast van de sinds de jaren zeventig steeds zichtbaarder wordende prostitutie.
Jaren zestig
In de jaren zestig, was er geen probleem met prostitutie. Althans, er werd niet over gesproken. Het was er gewoon en de media besteedden er nauwelijks aandacht aan. Pas toen Chinese Annie en Magere Jossie werden vermoord, kwamen er een paar cameraploegen naar De Wallen. Naar aanleiding van de moorden schreef de jurist Hartsuiker een proefschrift. In de jaren zestig worden de Wallen geromantiseerd door Albert Mol met zijn boek Wat zien ik.
De jaren zestig zal door velen gekenschetst worden als een tijd waarin er een seksuele revolutie plaatsvond, in die zin dat er openlijker over seks werd gesproken en het monogame huwelijk niet meer de enige acceptabele vorm van seksuele relatie was. In de jaren zestig zweeg men in dit discours over prostitutie.
Pas in de jaren zeventig barstte de discussie over prostitutie los. Op de tv werden huisvrouwen geïnterviewd die mannen tegen geld ontvingen om bijvoorbeeld een nieuw bankstel of een kleurenteevee te kunnen kopen. Met andere woorden, men ontdekte dat prostitutie zich niet beperkte tot de raamgebieden. Op beleidsniveau leidde dit in 1977 tot het beroemde rapport van de commissie Malai waarin men stelde dat de staat geen zeggenschap diende te hebben over wat mensen al of niet betaald in hun slaapkamers deden.
Al met al werd de prostitutie in die tijd zichtbaarder. Op de Amsterdamse Wallen verschenen de eerste sekstheaters. Het fenomeen seksclub dateerde ook uit die tijd.
De eerste seksclubs waren tamelijk amateuristische bedoeninkjes. Yab Yum in Amsterdam is bijvoorbeeld begonnen als een zaaltje met matrassen op de grond. De clubs voorzagen in de behoefte aan vrije seks van mannen die geen deel wilden of konden hebben aan de seksuele uitspattingen van de avant garde, maar wel geld hadden om een vrouw te betalen. Een andere reden voor de populariteit van seksclubs was dat men daar- anders dan in de raamgebieden- het zonder condoom kon doen.
Ook in de raamgebieden speelde de schaalvergroting. Dat was vooral in Rotterdam merkbaar.
De zeelieden kwamen niet meer aan land. Door de opkomst van het containervervoer bleven de grote schepen buiten de haven en vertrokken weer snel. De markt voor zeelieden verdween. Men zocht naar andere, meer regiogerichte vormen van prostitutie. Er ontstond een machtstrijd tussen uitbaters en pooiers van elders om de controle van het prostitutiegebied. Dit had zijn weerslag op het straatleven. Buurtbewoners werden lastig gevallen door pooiers die niet meer wilden dat zij op hun stoep een pilsje gingen drinken. Deze bewoners pikten op hun beurt die brutaliteit weer niet. Een andere ontwikkeling was ook van belang: in die periode veranderde de samenstelling van buurten zoals Katendrecht. Linkse studenten namen er hun intrek en gingen enthousiast aan de slag om de ‘arbeiders’ te organiseren. Zij werden de woordvoerders van de buurtbewoners en eisten het vertrek van de prostitutie uit Katendrecht. Er werden demonstraties gehouden met de serieus bedoelde maar onzinnige tekst Geen Seks in De Wijk.
Het toverwoord van beleidsmakers was toen overlastbestrijding en het wondermiddel daartoe was prostitutie concentreren in een Eroscentrum. Maar waar moest dat komen”? Hiero- daaro, zoals ze het in Rotterdam zeiden. Het lukte maar niet om een locatie te vinden.. En er was een ander groot probleem met dat Eroscentrum: Wanneer de gemeente een plaats aanwees en zorgde dat het in bedrijf kwam, overtrad de gemeente het vermaledijde artikel 250 bis: het verbod op exploitatie van prostitutie ofwel het bordeelverbod. De toenmalige burgermeester, van der Louw werd uitgemaakt voor pooier generaal. In die discussies gingen er voor het eerst stemmen op om dat verbod te schrappen zodat Rotterdam toch zijn Eroscentrum kon krijgen. Met andere woorden, er waren toen bestuurders die het opheffen van het bordeelverbod in overweging wilden nemen.
Zoals bekend is het Eroscentrum er nooit gekomen. Een van de redenen was dat de politie erachter kwam dat de volgende burgemeester Peper, in het geheim onderhandelingen voerde met Rotterdamse criminelen over het beheer van het toekomstige Eroscentrum. Rotterdamse prostituees hadden inmiddels ook hun stem laten horen: ze zagen er niets in om voor ‘die jongens van de vlakte’ te gaan werken, zoals ze dat noemden. Uit protest tegen deze ontwikkelingen bezetten zij het Hilton hotel, volgens hen het grootste bordeel van Rotterdam. En het feit dat prostituees zich nu ook in het debat mengden was weer een nieuwe ontwikkeling.
Er zat nog geen continuïteit in dat protest, maar het is een eruptie van een beweging die elders in de wereld in gang was gezet. Want niet alleen buurtbewoners emancipeerden zich, maar ook de prostituees. In Frankrijk bezetten zij een kerk. Overal ontstonden er organisaties van prostituees, als eerste in Uruguay.
De relatie tussen rechten van prostituees en feminisme wordt het komende decennium een belangrijk issue.
Jaren tachtig
Prostituees hadden luid en duidelijk naar voren gebracht dat hun bezigheid een vorm van werk was. Dit idee werd opgepakt door een nieuwe speler in het veld, die heel belangrijk zou worden: de Mr de Graafstichting. Tot eind jaren zeventig bestond dit instituut slechts uit een stapel dozen en een bestuurtje dat een opvanghuis voor ex prostituees trachtte in stand te houden: de Graafschap. In dit opvanghuis bevond zich eind jaren zeventig welgeteld één prostituee. Degenen die probeerden de Graafstichting nieuw leven in te blazen, twee mannen, pakten het idee op dat prostitutie arbeid was en onder het arbeidsrecht moest gaan vallen. En een ieder die belangstelling had voor de emancipatie van de prostituee kon bij een van hen, Jan Visser terecht.
Gaandeweg gingen steeds meer mensen prostitutie als arbeid zien. Dit gebeurde in een clubje vooraanstaande feministen die de emancipatie van de prostituee hoog in het vaandel hadden staan. Vooraanstaand, omdat zij veel contacten hadden met vrouwvriendelijke politici, internationale allure hadden en zeer bevlogen waren. Dit gebeurde net toen de politiek in de beroemde Kijkduin conferentie, uitgeschreven om de vraag naar beleid ten aanzien van seksueel geweld het hoofd te bieden, zich had uitgesproken dat vrouwen die vrijwillig in de prostitutie werken, niet gehinderd mogen worden, een standpunt dat sindsdien het officiële beleid is geworden.
Dit groepje feministen was gevormd naar aanleiding van een andere belangrijke conferentie die in 1982 Rotterdam werd gehouden om sekstoerisme naar landen als Thailand te bestrijden, dat sinds het einde van de Vietnamoorlog tot bloei was gekomen,.
In dit tijdsgewricht had men namelijk het verschijnsel sekstoerisme ontdekt.
Violet, een van de eerste activisten onder de Nederlandse prostituees, was een van de sprekers. Maar de Amerikaanse feministen wilden haar Amerikaanse evenknie, Margot St James, niet aan het woord laten. De Stichting Actie tegen Vrouwenhandel, die later de Stichting Tegen Vrouwenhandel ging heten (STV) was ook aanwezig en protesteerde tegen het feit dat prostituees de mond werd gesnoerd. Hier ligt de kiem van de alliantie tussen de vrouwenhandelbestrijders en organisaties voor rechten van prostituees in Nederland. Om onder andere deze conferentie te bezoeken was de Amerikaanse feministe Gail Pheterson naar Nederland gekomen. Pheterson die later hoogleraar in Berkeley werd en tijdelijk in Amsterdam woonde, fungeerde als spil in dit netwerk. Na de conferentie besloten een paar bezoekers met elkaar uit eten te gaan. De meeste disgenoten kenden elkaar nog niet. Dat zou snel veranderen, want de komende decennia zouden zij een belangrijke lobby voor de legalisering op gaan zetten. Het etentje kreeg een vervolg in maandelijkse bijeenkomsten ten huize van Gail Pheterson. In haar huis ontmoetten prostituees, feministen en strijdsters tegen mensenhandel elkaar. Dat de laatsten ook aanwezig waren, is van groot belang geweest. Deze vrouwen hebben later de Stichting tegen Vrouwenhandel opgericht, een organisatie die ook hamerde op de noodzaak van legalisering. In andere landen zie je niet licht zo’n bondgenootschap ontstaan tussen mensen die prostitutie willen decriminaliseren en degenen die wantoestanden in de prostitutie willen bestrijden. Jan Visser en Gail Pheterson stimuleerden de oprichting van De Rode Draad.
Die Gail Pheterson had tot doel bondgenootschappen te smeden tussen slechte vrouwen: lesbiennes, prostituees en allerlei andere dames die zich niet aan wilden passen. Zij deed dat door middel van het co counselen: ze zette een prostituee tegenover een niet prostituee en liet die samen uitzoeken wat ze gemeen hadden.
De vrouwen die toen bijeen waren zijn later de feministische ondersteuningsgroep van De Rode Draad geworden, de Roze Draad. Vanaf toen ging het razend snel. De vrouwen van de steungroep hadden korte lijntjes naar de politiek. In 1985 was er het grote internationale hoerencongres in Nederland. Een jaar later zaten De Rode Draad en medestanders in het gebouw van het Europarlement. Dat had Annemiek Onstenk, toen fractie assistent van de Regenboogfractie (samenwerkingsorgaan van linkse partijen) in Brussel geregeld. In 1987 kregen De Rode Draad en de Stichting tegen Vrouwenhandel subsidie van DCE, (Directoraat Emancipatiezaken)
Er werd toen een beroep gedaan op De Rode Draad. Op aanraden van de Roze Draad organiseerde De Rode Draad bijvoorbeeld een bijeenkomst in Krasnapolsky voor advocaten die mogelijk met de gevolgen van de legalisering te maken kregen. Er meldden zich tientallen advocaten die de prostituees wilden gaan steunen. De kersverse Rode Draad moest ook opeens met allerlei gemeenten gaan spreken. De wet zou immers veranderd gaan worden. De Rode Draad maakte van de gelegenheid gebruik om het debat richting verbetering arbeidsomstandigheden te sturen, naast het eerdere argument van de openbare orde.
Na die spectaculaire start kwam er een beetje de klad in. Het groeide De Rode Draad een beetje boven het hoofd. En dat gebeurde juist op een moment dat er zich enkele ernstige problemen aandienden:
De komst van aids.
In 1986 werd er voor het eerst over gesproken in relatie tot de prostitutiewereld. De toenmalige Rode Draad hebben, heeft net als andere zusterorganisaties dit meesterlijk naar de hand weten te zetten. Vakvrouwen presenteerden zich als deskundigen met een traditie van veilig vrijen. Er kwamen nieuwe organisaties in het veld, die een bijna holistische visie hebben op het voorkomen van aids. Zij gingen zich ineens bemoeien met de werkomstandigheden. Inderdaad is gezondheid een onderdeel van de werkomstandigheden, maar zij keerden het om: door goede aidsvoorlichting te geven, kun je de werkomstandigheden verbeteren. De omgekeerde wereld. Aidspreventie is onderdeel van goede werkomstandigheden, maar goede werkomstandigheden zijn geen onderdeel van aidsvoorlichting. Tegen aids was in ieder geval toen behalve voorlichting niets te doen. Maar we zien hier wel dat gezondheidsbevordering een steeds grotere rol in het prostitutiebeleid gaat spelen.
- De toenemende aandacht voor de migranten en men moest erkennen dat vrouwenhandel ook in Nederland een probleem was. De STV nam toen eigenlijk de lobby over. Deze organisatie wist voor slachtoffers van vrouwenhandel getuigenbescherming te regelen. Er was toen heel veel aandacht van de pers voor migranten en vrouwenhandel, en de hele discussie over het prostitutiebeleid werd erdoor overschaduwd.
- Later is de discussie over vrouwenhandel overheerst door één vorm van mensenhandel: de loverboy. Zover was het nog niet, de effecten daarvan zouden pas in 1996 goed zichtbaar worden.
De kiem van de problemen die nu nog spelen lag ook al in dit tijdsgewricht.
- Er is discussie over overlast van straatprostitutie door verslaafden. Later zien we alle aandacht naar de tippelzones gaan.
- Er is zorg over de migranten. De globalisering wordt ook in de prostitutiewereld zichtbaar.
- Er was toen weinig gehoor voor het argument dat prostituees en exploitanten niet dezelfde belangen hadden. Over uitbuiting werd toen nauwelijks gesproken.
Het LPO een initiatief vanuit de branche
In 1993 is door het bestuurslid van de Rode Draad, Mieke Veenstra, toentertijd nog werkneemster bij het FNV de arbeidsvoorwaarden op de agenda gezet. Dit paste in de discussie die al geruime tijd bij De Rode Draad werd gevoerd; namelijk hoe een betere werksituatie voor prostituees op de politieke agenda te krijgen. Vanaf 1990 waren gemeenten immers al voortvarend bezig om, vooruitlopend op de wetswijziging een vergunningenbeleid te maken. Deze eerste proeven legden de nadruk op het bestrijden van openbare orde problemen. Maar De Rode Draad, die toen ook bij de discussies in gemeenten betrokken was, stelde ook de arbeidsverhoudingen en arbeidsomstandigheden ter discussie. Zo werd er tijdens een discussie over de ontwerpnota Den Haag geprotesteerd tegen de hoge eisen die de gemeente stelde aan de bedrijven waardoor het voor onafhankelijke prostituees moeilijk was om voor zichzelf te beginnen. Vanaf 1993 heeft De Rode Draad contacten met het FNV. Concreet werd de samenwerking nog niet, want de FNV richtte zich op mensen op loondienst, wat prostituees uit angst hun anonimiteit te verliezen in eerste instantie afwezen. Ten huize van Mieke Veenstra van het FNV werden echter de discussies over arbeidsvoorwaarden in de prostitutie in kleine kring voortgezet. Mede op initiatief van Lucie van Mens die een bedrijfskundig onderzoek naar de branche had gedaan werd in 1992 het Landelijk Prostitutie Overleg (LPO) opgericht. Naar aanleiding van een gesprek met het ministerie van VWS hadden De Rode Draad en de Mr. De Graafstichting daar al vooroverleg over gevoerd. Dit was een gremium waarin alle betrokkenen bij het prostitutiebeleid, vooruitlopend op de legalisering (die pas in 2000 zijn beslag zou krijgen) trachtten tot elkaar te komen en tegenover de samenleving als een volwassen bedrijfstak op te treden. Aan dit overleg deden de volgende organisaties mee; de organisatie voor exploitanten: de VER (opgericht eind 1991), de stichting Soa bestrijding (Nu: Stichting SOA AIDS Nederland)en de organisatie van klanten (destijds de KLEP, later omgedoopt tot Man, Vrouw en Prostitutie) en De Rode Draad. Na enige aarzeling trad ook de Stichting tegen Vrouwenhandel toe.
Een van de eerste agendapunten was, behalve de stand van zaken met betrekking tot de wetswijziging, de plannen om vanuit de branche Erotikeur, een keurmerk op te richten, als proeve van zelforganisatie. Dit ging gepaard met heel wat gesteggel over de vraag wie hier belang bij had: exploitanten, prostituees of allebei. De Rode Draad vond dat een keurmerk ook de condities voor prostituees moest omvatten. Op grond van deze discussie werd Mieke Veenstra bij het LPO betrokken. Men stelde hygiënische normen op die nog steeds toepasbaar zijn. Erotikeur komt echter na 1995 om diverse reden op een laag pitje te staan: het is voor exploitanten te duur en de deelname vanuit de kant van prostituees blijft problematisch. De Rode Draad volgde het advies van Veenstra op dat exploitanten noch prostituees het keurmerk moesten toekennen. Restauranthouders en koks kunnen immers ook geen Michelinsterren uitdelen. (Klik hier voor de brief hierover)
De jaren daarna had De Rode Draad te kampen met subsidiestops en interne problemen. Wel bleef Mieke Veenstra de discussie met het FNV aanhouden. De aandacht ging toe naar de Stichting tegen Vrouwenhandel, waar de beleidmedewerkster Marjan Wijers stelde dat legalisering een instrument kon zijn om vrouwenhandel te bestrijden.
Om de impasse bij De Rode Draad te doorbreken werd in 1995 in samenwerking met Mieke Veenstra de stichting Prosex opgericht. Prosex zou als voorloper van de vakbond de rol van De Rode Draad over gaan nemen. Deze organisatie zou de administratieve dienstverlening aan prostituees ter hand nemen. Men had bedacht dat prostituees via een pasjessysteem anoniem ‘wit’ geld konden verdienen, zo belangrijk om later een huis te kunnen kopen of anderszins te investeren. In 1995 komt het Prosex initiatief met daaraan gekoppeld de uitzendgedachte voortijdig in de media. Prosex wordt bovendien op één hoop gegooid met Erotikeur. Om het nog ingewikkelder te maken hadden Marjan Wijers en Roelof Haverman naar voren gebracht dat de uitzendgedachte een oplossing zou kunnen bieden voor de slechte positie van migranten in de prostitutie. Dankzij wat nu de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV) heet, zouden migranten via een uitzendbureau legaal in loondienst in de prostitutie kunnen werken.
Het hele plan vond geen doorgang omdat van hogerhand aan de WAV het uitvoeringsbesluit lid 3 werd toegevoegd waardoor prostituees nooit een beroep op deze wet zouden kunnen doen.
Ook het project Prosex sterft een zachte dood. Prosex verwerd tot een boekhoudorganisatie, het lukte niet om prostituees anoniem via een pasjessysteem dienstverlening te bieden en er ontstonden problemen met de toenmalige directeur van Prosex. Deze man bleek vooral dienstverlening aan exploitanten te bieden, onderhandelde met pooiers van Oost-Europese vrouwen en voerde een ondoorzichtige financiële administratie. De Rode Draad, Mieke Veenstra, Marjan Wijers en Roelof Haverman die inmiddels ook tot het bestuur waren toegetreden trokken zich teleurgesteld terug uit Prosex.
Vlak voordat de legalisering beslag krijgt komt het FNV weer in beeld, die inmiddels ook een afdeling heeft voor zelfstandige ondernemers. De Rode Draad ziet weer mogelijkheden tot aansluiting bij het FNV. Ze verwijst zelfstandige prostituees door naar de ZZP (de betreffende afdeling van het FNV). Van dit aanbod wordt echter niet op grote schaal gebruik gemaakt. Prostituees willen immers niet dat grote organisaties over hun dossiers beschikken. Bovendien had ZZP destijds geen boekhoudkundige service.
Begin 2000 komt ook de mogelijkheid van loondienst op de agenda van het Landelijk Prostitutie Overleg. De Rode Draad krijgt ook oog voor de voordelen van loondienst, tot groot verdriet van de exploitanten.
Al in 1995 waren er contacten met bedrijfsgeneeskundige diensten en met het uitzendbureau Start. In 1996 is ook een gesprek geweest met Payroll, een afdeling van een groot uitzendbureau dat gespecialiseerd was en is in het verlonen van artiesten en andere mensen met kortlopende arbeidscontracten.
Steeds meer organisaties en overheidsinstellingen gaan zich actief op de prostitutie richten.. De belastingdienst wordt in 1991 gedwongen door middel van een proces om BTW te gaan heffen bij prostituees. Zij waren ineens zelfstandige ondernemers zonder personeel. Dat was het startsein voor een heel gedoe. Exploitanten gingen onderhandelen over methoden om prostituees anoniem belasting te laten betalen. Dat ging echter niet door. Nog steeds is de belastingdienst een grote speler in het spel. Belastingkwesties en getouwtrek tussen de exploitanten en de inspecteurs overheersen het gesprek. Overigens speelde de belastingdienst een grote rol bij het ontmaskeren van schijnconstructies die de exploitanten aan prostituees voorlegden.
De jaren tachtig: Ondertussen in de politiek…
De legalisering die zo voortvarend door minister Korthals Altes was opgepakt, bleef steken in de Tweede Kamer. Het zou nog jaren duren voordat de Eerste Kamer de wetswijziging bekrachtigde. In 1991 was er een CDA minister aan het bewind gekomen: Hirsch Ballin. Hij ontwierp een zodanig wetsvoorstel dat het hele feest niet meer door kon gaan. Hij vond namelijk dat gemeenten zelf moesten bepalen of ze prostitutie toelieten of niet. Deze versie van het wetsontwerp was een monstrum. Het is namelijk niet mogelijk om iets op landelijk niveau toe te staan en dat zelfde feit op gemeentelijk niveau te verbieden. De Eerste Kamer maakte er in 1991 een eind aan en verwierp het wetsvoorstel. De zaak werd op de lange baan geschoven. Conceptnota’s van gemeenten kwamen met een grote boog op de vuilnishoop terecht.
De jaren negentig: ondertussen in de politiek
In die periode werd achter de schermen wel gewerkt aan een nieuw wetsvoorstel. De opvolger van Hirsch Ballin, zou het in gaan dienen. Behalve de aandacht voor vrouwenhandel, bleef het tot 1996 betrekkelijk stil.
Het jaar 1996 was om twee redenen van belang. De stad Amsterdam vond dat de legalisering lang genoeg op zich had laten wachten en begon zelf met een vorm van reglementering. De discussie ging weer van start en er was weer belangstelling van de politiek voor prostitutie.
De politici in het bestuur van de Rode Draad stimuleerden de werkvloer om vooral veel naar bijeenkomsten van allerlei vrouwengroepen en partijcongressen te gaan. De politicoloog Rinus van Schendelen gaf De Rode Draad gratis een lesje in lobbyen. Welwillende ambtenaren legden de Rode Draad allerlei conceptvoorstellen voor om uiteindelijk tot legalisering te komen. Met andere woorden; door het initiatief van Amsterdam kwam legalisering van de prostitutie steeds meer openlijk op de politieke agenda.
1996 was ook het jaar van Dutroux, de Belgische kindermoordenaar. Dit gaf een grote schok, en de bescherming van minderjarigen tegen enge mannen is toen een belangrijk bestanddeel van de discussie geworden. Er werd toen ook veel gesproken over minderjarigen in de prostitutie.
In die periode komen er de eerste verhalen over jonge mannen die meisjes inpalmen. Een journalist heeft hen een keer loverboys genoemd. De komende jaren ontstond er een hele hype over de loverboyconstructie. Deze vorm van dwang tot prostitutie is een vorm van mensenhandel en moet als zodanig worden aangepakt. Maar doordat men het als een buzzwoord ging bezigen, richtte men alle aandacht op het bestrijden van loverboys. Men deed alsof dit een nieuw probleem was, maar het was hetzelfde als dwang van pooiers en andere mensenhandelaren.
In 1999 ligt er weer een wetsvoorstel op tafel. In de aanloop ervan is er veel met politici gesproken. Er worden overal in het land cursussen gegeven door congresbureaus die voorlichting over het nieuwe prostitutiebeleid een gat in de markt zagen. De VNG (Vereniging Nederlandse Gemeenten) schreef een handboek en er werden voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd. Sommige gemeenten nodigden de Rode Draad en De Graafstichting uit. Het FNV stond nu ook klaar om prostituees te ondersteunen. De belastingdienst en wat nu het UWV heet, maar voorheen het GAK, gingen samenwerken Er werd wat afgepolderd tussen organisaties die ineens een rol kregen in het prostitutiebeleid.
Politici kwamen kijken wat het veld ervan vond; de arbeidsinspectie schreef aan een folder, die overigens nooit is verschenen, de ambtenaren van justitie ontwierpen – in overleg met de mensen uit de praktijk een flankerend beleid, en uiteindelijk ontmoette iedereen elkaar op de publieke tribune van de Eerste Kamer waar de wetswijziging in januari 1999 zijn beslag krijgt en per 1 oktober 2000 ingevoerd zou worden. (Klik hier voor de uitnodiging van het feest op 1 oktober 2001)
In de aanloop naar de legalisering komen er nieuwe spelers in het veld: vooral instanties die het bedrijfsleven in de prostitutiewereld moeten stroomlijnen: administratiekantoren, Sociale Diensten, de Kamers van Koophandel en later ook het MKB. Er was werk aan de winkel. Er doken vragen op als:
Moet een prostituee per se worden ingeschreven in het handelsregister? Verliest ze daarmee haar anonimiteit? Kan de arbeidsinspectie optreden op de werkplek, als niemand in loondienst is? Komt er ooit een CAO? Hoe kan het FNV iets voor een groep betekenen die per definitie anoniem wil blijven? Deze vragen kwamen ook aan de orde op het congres waarmee dit verhaal begon.
Wel was er toen twijfel of het ooit een keer in orde zou komen. Nu weten we het antwoord op de vraag; de legalisering is nog steeds een goede zaak, maar dan moeten alle genoemde instanties wel aan tafel blijven, zoals tijdens de conferentie in 2001.
Ondertussen in de politiek in 2005

- Tekening Petra Urban in de folder van toen nog het GAK nu het UWV voor exploitanten.
‘Denkend aan Holland, zie ik…rookverboden en toegangspoortjes’. Langzaam maar zeker heeft het idee van eigen verantwoordelijkheid plaatsgemaakt voor de veiligheidshype. Mensen moeten niet alleen tegen elkaar maar ook tegen zichzelf in bescherming genomen worden.
Voor de prostitutiewereld betekent dit dat het zogeheten Zweedse model steeds populairder wordt. Men wil de maatschappij en prostituees beschermen tegen klanten. In Zweden hebben feministen in 1999 het voor elkaar gekregen dat klanten strafbaar werden gesteld. Prostituees waren niet strafbaar, maar werden als slachtoffer gezien. Ook in Nederland vraagt men steeds meer aandacht voor de rol van klanten in de seksindustrie. Dit is vooralsnog in een zinnig project vormgegeven: klanten worden gevraagd signalen van mensenhandel te melden bij Meld Misdaad Anoniem.
De roep om strafbaarstelling bij het constateren van misstanden is een begrijpelijke reactie maar werkt als een boemerang tegen de belangen van prostituees. Van de iets meer dan 400 meldingen van mensenhandel waren in ieder geval enkele tientallen afkomstig van klanten of waren van vrouwen zelf, geholpen door klanten. In het land waar het kopen van seksuele diensten strafbaar is, blijkt uit onderzoek dat de prostituees zich meer geïsoleerd voelen, in de illegaliteit naar klanten moeten zoeken en meer psychische stress ervaren (http://www.petraostergren.com/). Prostituees die voor dit beroep kiezen vragen er niet om dat zij tegen klanten worden beschermd, maar verlangen respect van de maatschappij en realisering van de bescherming van hun arbeidsrechten. Ook in 2005 wisten nationale en lokale politici De Rode Draad weer te vinden. De Rode Draad heeft haar mening gegeven op een hoorzitting over de zogeheten escortwet en kreeg bezoek van kamerleden.













