- Shai, de zingende ex-gigolo. Foto S.Altink
‘Schichtig dwaalt ze langs de Wallen en de grachtjes
Met haar boodschappentas vol speelgoed en rookvlees
Schuw beantwoordt ze de zinnelijke lachjes
Van Chinese Arie en van Haagse Kees, ‘
Aldus bezingt Jasperina de Jong een denkbeeldige warme buurt waar mannen achter de ramen zitten. Een experiment in 1995 om mannen daadwerkelijk op de Wallen achter de ramen te zetten, mislukte. De exploitanten staken er namelijk een stokje voor, ze waren bang dat de échte klandizie weg zou blijven. Tegenwoordig zitten er wel mannen achter het raam, maar ze zijn als zodanig moeilijk herkenbaar, ze zien eruit als vrouwen. De politie vindt het zelfs nodig toeristen te waarschuwen dat de dame in kwestie onder haar kleding een heer kan zijn.
Sowieso valt er in de Nederlandse prostitutie een trend te bespeuren naar grotere diversiteit. SM-clubs houden vrouwenavonden en in veel clubs zijn stellen tegenwoordig ook welkom. En op Internet ziet men regelmatig dat een vrouw samen met haar partner ontvangt.
Het is een vooroordeel dat alleen mannen afnemers zijn van ‘erotisch’ vermaak. Dat idee stamt uit de tijd dat men veronderstelde dat mannen een natuurlijke behoefte hadden aan seks en dat vrouwen geacht werden monogaam te blijven.
Naast de markt voor homoseksuele mannen en vrouwen, is er een kleine groep mannen die voor hetero vrouwen werkt, de zogeheten gigolo's. Zij opereren niet in een georganiseerd verband en zijn voor zover bekend in hoge mate eigen baas. Naar verluidt bedienen zij een kleine, maar gestaag groeiende markt voor vooral carrièrevrouwen. Deze kunnen zich immers de hoge prijzen van escorts veroorloven. In andere werksoorten wilde het niet zo lukken. Een bordeel voor vrouwen dat in 1984 werd geopend, moest bij gebrek aan klandizie al snel de deuren sluiten. En dat binnenkort mannen 'in geblokte onderbroeken', zoals bezongen door Jasperina de Jong, achter de ramen plaats gaan nemen, is ook niet waarschijnlijk. Het zal in Nederland nog even duren voordat de markt van mannen voor hetero vrouwen net zo’n bloei meemaakt als in bijvoorbeeld Italië. Wanneer prostitutie voor vrouwen ter sprake komt, blijven de meningen hangen in clichématige benaderingen van vrouwelijke seksualiteit. ‘Vrouwen hoeven niet te betalen, die kunnen het gratis krijgen', is een weinig onderbouwde verklaring voor de geringe belangstelling voor deze vorm van prostitutie. Maar sommige vrouwen geven net als bepaalde mannen de voorkeur aan commerciële contacten, omdat daarmee het risico tot het minimum beperkt blijft dat er een relatie uit voortkomt.
Mogelijk hebben vrouwen nog wel heel andere redenen om mondjesmaat gebruik te maken van deze voorziening. Een veelgehoorde klacht luidt dat het huidige aanbod niet gevarieerd genoeg is.
Jongens
- Huiskamer voor mannelijke prostituees, Antwerpen. Foto S.Altink
Veel mensen doen net alsof er alleen vrouwen in de prostitutie werken. Maar een klein deel van de markt wordt bediend door jongens. Zij hebben dezelfde rechten als vrouwen en vallen onder dezelfde regels en wetten, net als in ieder ander beroep. Zij hebben meestal mannelijke klanten. Een kleine groep bedient vrouwen die het geld hebben en niet met een kerel die ze in een café hebben opgepikt aan de ontbijttafel willen zitten. Vooral in het buitenland is dit een groeimarkt. Ook zien we de laatste tijd dat veel stellen beschikbaar zijn voor seksuele dienstverlening aan biseksuele mannen en vrouwen.
Dat de meeste mannelijke klanten hebben, betekent niet dat ze allemaal zelf homoseksueel zijn. Er zijn weinig werkplekken voor jongens. Velen onder hen werken in verschillende sectoren tegelijk: op stations, in clubs, in de escort enzovoort. De Rode Draad staat ook open voor jongens.
‘Only for men!! “O nee hoor U kunt niet binnen komen want U zijt dames”, aldus de exploitant van het vermeende illegale jongensbordeel. De man beweerde bij hoog en bij laag dat er geen commerciële seksuele dienstverlening in zijn bedrijf plaatsvond. Hij verwees ons door naar de enige plek in de stad waar jongens legaal werken, een plek die we al kenden. Overigens werken we nu regelmatig met mannelijke veldwerkers. Wat de arbeidsrelaties betreft, hebben de jongens dezelfde problemen als de vrouwen. Ze hebben echter weinig ervaring met bezoek van de belasting. Als die komt, zeggen ze dat ze gewoon op bezoek zijn. Vooral in deze tak van prostitutie is het verloop groot. Vooral uit Amsterdam trekken veel jongens weg omdat het ‘geen gay capital’ meer is. Veel jongens bevestigen wat al bekend was uit onderzoeken: ze zijn overwegend hetero.
De jongens geven te kennen “geen hoer te zijn”, maar “er wat bij te klussen” en de club is volgens hen “een chill out plek”. Ze zeggen geweldige klanten te hebben die wel €1000, op een avond uitgeven, maar in werkelijkheid lijken de inkomsten bij €110 per avond op te houden, wat dan weer snel wordt uitgegeven.
Van mannelijke leden van de vakbond vernemen we dat veel jongens via Internet klanten werven. Ze werken zeer zelfstandig en beweren dat veiligheid voor hen minder een probleem is dan voor vrouwelijke escorts.
Reactie op onderzoek naar ''jongens"
- Mannen in een sauna
Ben je prostituee als je seks in ruil voor onderdak biedt? Als je Paul van Gelder moet geloven, een antropoloog die onlangs een boek over bisnisjongens publiceerde, is dat bij jongens wel degelijk het geval. Je moet bij hem niet aankomen met een onderscheid tussen professioneel en niet-professioneel gedrag. Professionaliteit lijkt hij in jongensprostitutie niet belangrijk te vinden; het ‘geld- voor- seks- beginsel vindt hij een te groot keurslijf . Voor hem is prostitutie het ‘uitwisselen van seksuele diensten voor ‘geld of een andersoortige vergoeding’, zoals een avondje uit. Hij heeft zelfs een naam voor dit soort vage ‘overeenkomsten’ verzonnen: ongeprijsde transacties. De jongens die zich daarmee inlaten zouden zelf niet beseffen dat ze prostitue zijn.
Beunhazerij zou zelfs het belangrijkste kenmerk van jongensprostitutie zijn. Hij neemt stelling tegen een onderzoekster, Sari van der Poel, die wel heeft getracht jongensprostitutie in termen van professionaliteit te beschrijven. Hij vindt dat zij jongens die in een club werken, te veel als modelprostitues ziet. Terecht merkt hij op dat jongensclubs niet altijd aan de wens van vooral Nederlandse jongens professioneel en zelfstandig te werken, voldoen. Maar dat heeft vooral te maken met de omstandigheden, die vaak net zo slecht of slechter zijn als in heteroclubs. Net als veel vrouwen willen jongens als zelfstandig ondernemers werken, hun werktijden zelf kunnen bepalen en niet gedwongen worden om bijvoorbeeld naakt te lopen. Dit gaat om arbeidsrecht en grondrechten, niet om sekseverschillen tussen prostituees.
Jongensclubs moeten na de wetswijziging net als bedrijven voor heteroprostitutie aan de algemeen geldende normen voor het bedrijfsleven, gaan voldoen. Ook hun exploitanten zullen moeten kiezen of ze jongens in loondienst nemen of als zelfstandig ondernemer laten werken.
Van Gelder gaat helemaal aan die discussie voorbij, wat niet vreemd is voor iemand die prostitutie niet als een beroep ziet. Op andere plaatsen in het boek blijkt dat hij weinig zicht op de economische kanten van prostitutie heeft. Zo bepaalt hij aan de hand van wat klanten hem vertellen de hoogte van de verdiensten van de jongens. Tevens meent hij dat de prijzen die clubs vragen gelijk staan met de verdiensten. Maar net als in de vrouwenprostitutie wordt er op basis van percentages gewerkt en moeten ze urenlang op klanten wachten.
Dat er arbeidsrechtelijk geen seksverschillen zijn, betekent echter niet dat er geen verschil is tussen prostitutie van jongens en van vrouwen, wat Van Gelder terecht constateert.
Een gedegen publicatie over verschillen tussen jongens- en vrouwenprostitutie zou zeer welkom zijn. Want verschillen zijn er wel, zoals Van Gelder hier en daar aangeeft Jongens presenteren zich heel anders dan hun vrouwelijke collega’s; ze kleden zich niet opvallend en werven hun klanten niet openlijk. Het werven van klanten gebeurt in stilte. Jongens werken op meerdere plekken, wat ook een verschil zou zijn met vrouwen. Vrouwelijke prostituees werken meestal niet op een avond in verschillende bedrijven in zowel een bar, op straat en in club. Maar het grote verschil is bijvoorbeeld dat jongens met een dubbel stigma te maken zouden hebben: werken met homoseksuelen en prostitutie.
Niettemin blijken jongens vooroordelen te hebben ten aanzien van de werkzaamheden van hun vrouwelijke collega’s. Ze koesteren bijvoorbeeld het achterhaalde idee dat vrouwen vaak voor pooiers werken.
Van Gelder richt zich vooral op 'de onderkant van de markt': gebruikers, bietsers, bedelaars en kleine boefjes. Het boek geeft wel een aardig beeld van wat er zich zoal op stations afspeelt, maar als beschrijving van jongensprostitutie is het wat onvolledig. En op sommige plaatsen ligt wel erg de nadruk op de ranzige aspecten van het stationsleven. De onderkant van de markt zal volgens hem weinig gebaat zijn met een arbeidsrechtelijke aanpak. Als je bijvoorbeeld vrouwenprostitutie goed gaat regelen, zullen daklozen daar weinig aan hebben. Dat spreekt vanzelf: voor daklozen moet je daklozenbeleid maken. Een prostitutiebeleid gaat over andere zaken.
Het zou prettig zijn als een econoom of een deskundige op het gebied van arbeid weer eens onderzoek naar jongensprostitutie zou gaan doen. Misschien hebben bisnisjongens daar ook wat aan. Op De Draad horen we dat jongens niet blij zijn met dit onderzoek. Tevens komen er klachten binnen van geinterviewden die tegen de afspraak, in het boek met naam en toenaam zijn genoemd of op een andere manier herkenbaar zijn.
Van Gelder gaat voorbij aan het beroepsmatige van prostitutie: regelmatig geld verdienen met seksuele dienstverlening. Betaling in natura is net als in andere beroepen een uitzondering. Geld vragen is een van de eerste stappen op weg naar professionaliteit.
Voor alle prostituees – waaronder ook bisnisjongens -die de laatste decennia hebben gevochten voor erkenning van het beroep – is Van Gelders definitie een stap terug in de emancipatie. De tendens om alles wat niet gangbaar is: parenclubs, cruisen door homoseksuelen, meisjes die door verkeerde vriendjes worden uitgeleend voor een avondje uit met een vriend, drankjes in ruil voor seks in de disco, prostitutie te noemen is nieuw. Zo vermoedt men al gauw dat wanneer Marokkaanse meisjes die zich in het uitgaanscircuit begeven, het gevaar lopen tot prostitutie gedwongen te worden. Overigens hangt men alleen deze redeneringen op over Marokkaanse vrouwen. Soms worden meisjes aan vrienden uitgeleend, maar dat is geen prostitutie maar een vorm van seksueel geweld.
Van Gelder, Paul, Jongens in de prostitutie, kwetsbaar, kleurig en schaduwrijk, een verschijnsel in meervoud, Amsterdam 1998
Naar aanleiding van een expositie over jongensprostitutie

- Folder voor het Bubbleboysproject: 2000, een poging om bijeenkomsten te organiseren met mannelijke prostituees
Op 29 oktober (1998) was de opening van de expositie Schetsen uit het leven van een straatjongen op het Prostitutie Informatie Centrum (PIC) te Amsterdam. Leon, bisnisjongen, gunt ons een blik in de kijkdoos van het leven. Met een minimum aan potloodstreken schetst hij de toeschouwer scènes voor, die plaatsvinden in het contact tussen aanbieder en afnemer van seksuele dienstverlening.
Je ziet vrolijke gezichten, geile koppen en aandachtszuigende erecties.
Niet tegenstaande de seks onomwonden in beeld is gebracht, hullen de boys zich in een sluier van onschuld. Dat is geen toeval. “Voor de meeste klanten is het : hoe jonger hoe beter”, deelt de tekenaar mee in Vrij Nederland van december ’98.
De momentopnamen laten zien dat het vak voor bisnisjongens minder gestructureerd, georganiseerd en geïnstitutionaliseerd is dan voor vrouwen. De taferelen wijzen op een aaneenschakeling van schnabbels en scharrels. Een pijpscène in het bos, aftrekken in een auto en nog meer, waardoor je met een vrouwelijke ambachtsachtergrond zou gaan denken dat het hier niet over prostitutie gaat, maar eerder over een zogenaamde vrijblijvende homo-ontmoetings-plaats. Dat misverstand wordt weggenomen wanneer je oog valt op het briefje van vijftig wat van een hand in die van een ander overgaat. “Aftrekken in het bos is vijfentwintig gulden, pijpen en mee naar de parkeerplaats is vijftig gulden, mee naar huis is vijftig gulden extra”, zegt Leon in bovengenoemd interview.
De momentopnamen ademen een vrijbuitersfeer uit. Ook de manier waarop ze zijn vastgelegd getuigt van totale non-conventionaliteit. Aan wat velletjes printerpapier en een HB-potlood heeft Leon voldoende om zijn ervaringen in beeld te brengen. Eenvoud kenmerkt zijn (levens-)stijl. Maar “een prettig leven is het niet; het is eerder een kwestie van overleven”, wordt geconcludeerd in Vrij Nederland. Paul van Gelder, auteur van Kwetsbaar, kleurig en schaduwrijk, het resultaat van o.m. 56 interviews met jongensprostituees, zegt dat de schemerwereld van de jongensprostitutie veel minder chaotisch is dan ze van de buitenkant lijkt. “Er wordt in een voor insiders herkenbare non-verbale taal gecommuniceerd. De hulpverlening zal deze jongens nooit kunnen bereiken, als over die onuitgesproken wetten niets bekend is”. De onderzoeker ergert zich eraan dat naar de jongens zèlf niet wordt geluisterd : “Het wordt in de criminele sfeer getrokken. Er is nauwlijks aandacht voor het verhaal dat erachter zit. De gevestigde hulpverlener komt alleen in actie als het om daklozen of verslaafden gaat. Met jongensprostitutie weten ze zich geen raad omdat er weinig over bekend is. Veel jongens, zeker die met homoseksuele gevoelens, begeven zich op eigen initiatief in de prostitutie omdat ze het spannend en leuk vinden. Anderen zitten in het uitgaanscircuit en hebben geld nodig om hun dure kleertjes en andere hoge uitgaven te bekostigen. Een derde categorie is verslaafd. Dan heb je nog de allochtonen en de asielzoekers, die hier een oplossing voor hun financiële problemen denken te vinden. Van de beleidskant wordt alleen in termen van regelgeving en misbruik gepraat. De nuance is zoek. De grens tussen wat prostitutie is en wat niet ligt bij vrouwen veel scherper dan bij jongens. Daar begint het vaak met bietsen, wat geld lenen, vaak met een zielig verhaal erbij. Een jongen zonder vaste verblijfplaats die zich in een bar door een man laat oppikken in ruil voor een overnachting, is dat prostitutie ?”
Het blijft een legitieme vraag. Antwoorden zijn te vinden in de citaten van verschillende boys, die voorzien in een literaire prikkel voor het oog van de toeschouwer, die Leons tekeningen op zijn netvlies laat vallen.
De expositie is gedurende de hele maand november te aanschouwen op het PIC in de Enge Kerksteeg 3, te Amsterdam.
Pascale Geerts
Transgenders
- (Oude) aankondiging congres voor transgenders in Zuid-Amerika
Sommige publieke vrouwen verkleedden zich twee eeuwen geleden al als man. Meestal deden ze dat omdat ze ‘als man’ meer bewegingsvrijheid hadden. Vrouwen die alleen op straat liepen, waren immers al snel verdacht. Maar ze trokken ook om andere redenen mannenkleren aan. Uit het Amsterdam van de zeventiende eeuw komt bijvoorbeeld het verhaal van een prostituee die zich omwille van de erotische prikkeling had uitgedost als ‘Persiaan’, dat wil zeggen als lid van een Armeense christelijke groep met een eigen stijl van kleden.
Tot 1993 waren travestieten en transseksuelen betrekkelijk moeiteloos geïntegreerd in de vrouwenprostitutie. Toen de eerste transseksuelen van buiten de Europese Unie op de tippelzones verschenen, gingen zij de aandacht trekken. Op 'piekuren' waren zij zelfs in de meerderheid. Hun aanwezigheid strookte echter niet met de doelstelling van tippelzones: hulpverlening aan verslaafden. De druggebruikende vrouwen voelden zich door hen overheerst en waren bang het onderspit te delven in de concurrentiestrijd met deze niet-verslaafde vrouwen in glamour uitmonstering.
In de periode dat de politie Amsterdam streng op de tippelzones aan het controleren was, kwam een grote groep latina’s van de Amsterdamse tippelzone naar kantoor. Deze sekswerkers wilden weten of het voornemen tot een geslachtsverandering reden was voor politiek asiel. Zij zijn met die vraag doorverwezen naar de genderkliniek. Anderen zijn op de B 9 regeling gewezen. (Zie ook Atalantas)
Rotterdam heeft de naam de hotspot voor transseksuelen te zijn. Er zijn daar speciale huizen voor hen met kleurrijke namen als de Transseksjuweeltjes, waar ook enkele Braziliaansen werkten.
Zij beklaagden zich er bijvoorbeeld over dat de lokale televisie niet van plan was een promotiefilmpje over hen uit te zenden. Ook hebben zij een poging ondernomen een gezamenlijke actie te organiseren om de tippelzone uiterlijk wat aantrekkelijker te maken, een minga , zoals een gezamenlijke opknapbeurt wordt genoemd. Maar het was er niet altijd rozengeur en maneschijn. Zij maakten betrekkelijk vaak gewag van geweld door klanten. Wij hebben niet kunnen achterhalen waarom dat was: mogelijk hadden klanten – die over het algemeen in het dagelijks leven hetero zijn- na de daad spijt van hun grensoverschrijdend seksueel gedrag.











