- Preventiematerialen van La Strada Polen
In de negentiende eeuw werd mensenhandel door de ontwikkelingen van de transportmiddelen tot het internationale en zelfs intercontinentale verschijnsel zoals we dat nu kennen. Destijds bestond er een bloeiende vrouwenhandel tussen Engeland, België, Duitsland en Nederland. Op intercontinentaal niveau werden vooral joodse vrouwen uit de verarmde getto’s in Oost-Europa geworven om in Zuid-Amerika de mannengemeenschappen te bedienen, die bijvoorbeeld in de mijnbouw aan het werk waren. Dit had alles te maken met de situatie in de joodse getto’s, waar geen werk was en waar een overschot aan huwbare vrouwen zwaar op de gezinsbudgetten drukte.
De verhalen uit die tijd lijken sterk op die van hedendaagse verhandelde vrouwen. Toen werden vrouwen eveneens onder valse voorwendselen geronseld en onder barre omstandigheden tot prostitutie gedwongen. Dit had ook nog eens tot gevolg dat ze door hun eigen gemeenschap werden verstoten. Net als nu bestreden vrouwenorganisaties dit met waarschuwingscampagnes en reddingsacties. Zo deed men in het begin van de twintigste eeuw aan stationswerk: vrijwilligsters probeerden mogelijke slachtoffers op stations te signaleren en ze zo snel mogelijk van hun ‘begeleider’ - soms een nietsvermoedende oom - te bevrijden. Dankzij de uitvinding van de telex kon men handelaren identificeren en uit de roulatie nemen. Organisaties als de YWCA (organisatie voor vrouwen die betrouwbare pensions beheerde, de tegenhanger van de YMCA voor mannen) werden opgericht om alleenreizende werkzoekende vrouwen verantwoord onderdak te verlenen. Ook werd de accommodatie op schepen op de internationale lijnen verbeterd met aparte hutten voor mannen en vrouwen . Degene die een grote rol speelde in deze beschermende maatregelen op boten, de Engelse journalist Stead, dacht van een welverdiende rust te kunnen genieten tijdens de maiden voyage van de Titanic…
Door de twee wereldoorlogen raakte het probleem op de achtergrond. Tot de jaren tachtig van de twintigste eeuw was er in Nederland nauwelijks belangstelling voor vrouwenhandel. Men dacht zelfs dat het niet meer bestond. Door de komst van de migranten in de prostitutie veranderde die houding echter. Men ontdekte dat vrouwen uit Zuid-Amerika en uit Zuidoost-Azië onder dwang in de Nederlandse prostitutie werkten. Na de val van De Muur verschoof de aandacht naar Oost-Europese vrouwen. De laatste tijd zijn jonge Afrikaanse asielzoeksters die tot prostitutie worden gedwongen veel in het nieuws. Zij zouden vooral door Nigeriaanse bendes onder druk worden gezet.
De discussie over mensenhandel heeft lang te lijden gehad onder een vreemdsoortig verschil tussen ‘misleide’ en ‘door de wol geverfde vrouwen’, met andere woorden: tussen schuldige en onschuldige slachtoffers, een verhaal waarin het onderscheid tussen hoeren en madonna’s doorklinkt. De wettekst legitimeert een dergelijk onderscheid niet. ‘Degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingt dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding beweegt tot prostitutie, wordt gestraft met (…).’ Aldus luidt de wettekst tegen dwang in de prostitutie.
Advocaten van verdachten komen vrijwel altijd met het argument dat de vrouw die aangifte heeft gedaan, wel degelijk besefte dat ze het bordeel in werd gelokt. Dit ontaardt vaak in onsmakelijke speculaties over het gehalte van naïviteit van de vrouw, haar kennis van de prostitutiewereld en haar motieven om te migreren.
De pers heeft ook een voorkeur voor ‘echte slachtoffers’ die worden geronseld voor laagbetaalde, typisch vrouwelijke dienstverlenende arbeid zoals kinderoppas, serveerster of receptioniste. Met andere woorden: het ‘echte’ slachtoffer is slecht opgeleid, dienstbaar en altijd bereid om zich voor haar familie op te offeren. Typerend is dat het ‘misbruik maken van overwicht’ uit de wettekst vaak nader omschreven wordt als het geringe opleidingsniveau van de vrouw in kwestie, haar gebrekkige talenkennis en haar culturele achtergrond. Hoewel vooral Oost-Europese verhandelde vrouwen vaak hoog opgeleid zijn, hoort men nooit dat ze een baan als civiel ingenieur of onderzoeker is aangeboden. Nooit komt naar voren dat veel vrouwen uit emancipatorische overwegingen migreren om een traditionalistische maatschappij de rug toe te keren. (Zie ook onder Atalantas)
Anders gezegd: een stevige, geëmancipeerde vrouw zou nooit in handen van vrouwenhandelaren vallen. Maar bij andere misdrijven vraagt men niet naar de gemoedstoestand en het kennisniveau van de slachtoffers. Wanneer een bankbediende slachtoffer van een roofoverval is geworden, voert men toch ook niet aan dat hij onwetend was. Iets vergelijkbaars speelt bij loverboys, waar het probleem ook vanuit de achtergronden van de slachtoffers wordt gedefinieerd. Het zou de emancipatie van deze vrouwen bevorderen als zij hun verhaal zouden kunnen halen als slachtoffer van beroving, oplichting, afpersing enzovoort zonder een larmoyant verhaal over ronselpraktijken op te hoeven hangen. Maar nee, ze krijgen pas rechten, als er een verhaal over misleiding in het land van herkomst bijkomt.
In veel persberichten heeft men het steeds over vrouwen en kinderen die slachtoffer worden van mensenhandel. Verhandelde vrouwen worden in één adem met het symbool van onschuld, het kind, genoemd. Hoewel handel in mannen wel degelijk bestaat, heeft niemand het erover. Niemand vroeg zich een paar jaar geleden bijvoorbeeld af waarom er zo opvallend veel mannen uit Ecuador op de tippelzones verschenen. De correcte term ‘mensenhandel’ lijkt tot nog toe alleen maar op papier te bestaan. Dat zal overigens veranderen als het mensenhandelartikel wordt verruimd.
Mannen krijgen in de kwestie mensenhandel vooral de rol van dader toebedeeld. Helaas heeft de mystificatie van de mannelijke handelaar veel bijgedragen aan misvattingen omtrent vrouwenhandel. Reeds in de negentiende eeuw vertelde men hartverscheurende verhalen over joodse boeven.
Hoewel er ook veel niet-joodse mannen en vrouwen op deze markt actief waren, maakte men van de handelaar een man uit een gevaarlijk land, een uitzuiger die leefde van bloed, zweet en tranen van onschuldige vrouwen. Dit paste feilloos in het antisemitische beeld van de jood als vampier met ongeremde lusten. Na de Wereldoorlogen was de typische vrouwenhandelaar een Afrikaan of Arabier die au pairs als blanke slavinnen aan een harem zou willen toevoegen. Meisjes konden alleen aan dit gevaar ontsnappen door er van af te zien de wijde wereld in te trekken. Preventie van vrouwenhandel bestond in dit geval uit het thuishouden van vrouwen en meisjes. Later zien we de exotische Afrikaanse man weer terugkomen als de gevaarlijke tovenaar die onwetende plattelandsmeisjes door middel van voodootechnieken uit hun vertrouwde omgeving wegrukt. Men vergeet dan licht dat de geperverteerde vorm van wat hier voodoo heet, slechts fungeert als een handige truc om meisjes onder controle van de handelaren te stellen.
De Rode Draad en de zusterorganisaties in het buitenland hebben met lede ogen moeten toezien dat de erkenning van het beroep wordt overschaduwd door de discussie over vrouwenhandel. Men wil heel graag horen dat vrouwenhandel door de afschaffing van het bordeelverbod naar Nederland is toegenomen. Onzin. Er is ook heel veel mensenhandel in en tussen landen waar wel een bordeelverbod van kracht is. Men gaat eraan voorbij dat men op eigen initiatief in de prostitutie kan belanden. Helaas blijkt de aanpak ervan zelden in het voordeel van vrouwen te zijn.
De problemen van veel migranten in de prostitutie herkennen we als uitbuitingssituaties, zelfs als mensenhandel. Maar wij noch de betrokkenen noemen het zo. Wij gebruiken het woord vrouwenhandel of mensenhandel nooit tijdens ons veldwerk. Dat komt omdat de termen ‘vrouwenhandel’ of ‘mensenhandel’ besmet zijn: De vrouwen die wij spreken hebben het idee dat zoiets hen niet kan overkomen, wel hun onwetende en domme buurvrouw. Met andere woorden, slachtoffer worden van vrouwenhandel is voor de dommen.
Het bestaat wel degelijk, maar het begrip ‘mensenhandel’ is problematisch.
Mensenhandel in het verleden
- WTS Stead
In de negentiende eeuw werd mensenhandel door de ontwikkelingen van de transportmiddelen tot het internationale en zelfs intercontinentale verschijnsel zoals we dat nu kennen. Destijds bestond er een bloeiende vrouwenhandel tussen Engeland, België, Duitsland en Nederland. Op intercontinentaal niveau werden vooral joodse vrouwen uit de verarmde getto’s in Oost-Europa geworven om in Zuid-Amerika de mannengemeenschappen te bedienen, die bijvoorbeeld in de mijnbouw aan het werk waren. Dit had alles te maken met de situatie in de joodse getto’s, waar geen werk was en waar een overschot aan huwbare vrouwen zwaar op de gezinsbudgetten drukte.
De verhalen uit die tijd lijken sterk op die van hedendaagse verhandelde vrouwen. Toen werden vrouwen eveneens onder valse voorwendselen geronseld en onder barre omstandigheden tot prostitutie gedwongen. Dit had ook nog eens tot gevolg dat ze door hun eigen gemeenschap werden verstoten. Net als nu bestreden vrouwenorganisaties dit met waarschuwingscampagnes en reddingsacties. Zo deed men in het begin van de twintigste eeuw aan stationswerk: vrijwilligsters probeerden mogelijke slachtoffers op stations te signaleren en ze zo snel mogelijk van hun ‘begeleider’ - soms een nietsvermoedende oom - te bevrijden. Dankzij de uitvinding van de telex kon men handelaren identificeren en uit de roulatie nemen. Organisaties als de YWCA (organisatie voor vrouwen die betrouwbare pensions beheerde, de tegenhanger van de YMCA voor mannen) werden opgericht om alleenreizende werkzoekende vrouwen verantwoord onderdak te verlenen. Ook werd de accommodatie op schepen op de internationale lijnen verbeterd met aparte hutten voor mannen en vrouwen. De ironie wil dat degene die een grote rol speelde in deze beschermende maatregelen op boten, de Engelse journalist Stead, aan het eind van zijn carrière dacht van een welverdiende rust te kunnen genieten tijdens de maiden voyage van de Titanic…
Na de oorlog

- Bordje van het stationswerk, in het bezit van het IIAV.
Door de twee wereldoorlogen raakte het probleem op de achtergrond. Tot de jaren tachtig van de twintigste eeuw was er in Nederland nauwelijks belangstelling voor vrouwenhandel. Men dacht zelfs dat het niet meer bestond. Door de komst van de migranten in de prostitutie veranderde die houding echter. Men ontdekte dat vrouwen uit Zuid-Amerika en uit Zuidoost-Azië onder dwang in de Nederlandse prostitutie werkten. Na de val van De Muur verschoof de aandacht naar Oost-Europese vrouwen..
Vrijwillig of gedwongen
De discussie over mensenhandel heeft lang te lijden gehad onder een vreemdsoortig verschil tussen ‘misleide’ en ‘door de wol geverfde vrouwen’, met andere woorden: tussen schuldige en onschuldige slachtoffers. De wettekst legitimeert echter een dergelijk onderscheid niet. ‘Degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingt dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding beweegt tot prostitutie, wordt gestraft met (…).’
In een signalenlijst van de politie wordt de politie er nadrukkelijk op gewezen dat een slachtoffer dat eerder in de prostitutie heeft gewerkt, vooraf wist dat ze in de prostitutie ging werken en na het ontdekken van mensenhandel in de prostitutie wil blijven ook serieus genomen moeten worden. De auteur Rob Coster, voegt er nog aan toe dat: ‘Met andere woorden: ook wanneer er op het eerste gezicht sprake lijkt te zijn van vrijwilligheid dient men toch verder te kijken.’
De interpretatie dat vrouwen die wel hadden ingestemd met prostitutie maar niet met de condities waaronder ze in feite kwamen te werken, ook slachtoffers van mensenhandel zijn is krachtens het wetsartikel volkomen juist. In het begin van de twintigste eeuw is alle werving van prostituees over de grens strafbaar gesteld. De wilskwestie (wil een vrouw de prostitutie in of niet) werd daarmee buiten de discussie gesteld. Nog steeds is het officieel strafbaar om bijvoorbeeld een Belgische prostituee vanuit Antwerpen een lift te geven naar haar werkplek in Breda. Dat dit nooit wordt berecht komt omdat rechters en officieren van justitie dit niet strafwaardig achten.
Het is dus een vooroordeel dat iemand alleen slachtoffer van mensenhandel is als hij/zij van te voren niet wist dat hij/zij in de prostitutie zou terechtkomen. Toch speelt dit in het strafproces. Advocaten van verdachten komen vrijwel altijd met het argument dat de vrouw die aangifte heeft gedaan, wel degelijk besefte dat ze het bordeel in werd gelokt. Dit ontaardt vaak in onsmakelijke speculaties over het gehalte van naïviteit van de vrouw, haar kennis van de prostitutiewereld en haar motieven om te migreren.
Het leidt ook vaak tot onfrisse discussies over de seksuele ervaring van degene die aangifte doet van dit misdrijf.Veel slachtoffers van mensenhandel wisten meestal wel dat ze in de prostitutie moesten, maar hadden geen idee onder welke voorwaarden ze zouden gaan werken.
De pers heeft ook een voorkeur voor ‘echte slachtoffers’ die worden geronseld voor laagbetaalde, typisch vrouwelijke dienstverlenende arbeid zoals kinderoppas, serveerster of receptioniste. Met andere woorden: het ‘echte’ slachtoffer is slecht opgeleid, dienstbaar en altijd bereid om zich voor haar familie op te offeren. Typerend is dat het ‘misbruik maken van overwicht’ uit de wettekst vaak nader omschreven wordt als het geringe opleidingsniveau van de vrouw in kwestie, haar gebrekkige talenkennis en haar culturele achtergrond. Hoewel vooral Oost-Europese verhandelde vrouwen vaak hoog opgeleid zijn, hoort men nooit dat ze een baan als civiel ingenieur of onderzoeker is aangeboden. Zelden komt naar voren dat veel vrouwen uit emancipatorische overwegingen migreren om een traditionalistische maatschappij de rug toe te keren.
Anders gezegd: een stevige, geëmancipeerde vrouw zou nooit in handen van vrouwenhandelaren vallen. Maar bij andere misdrijven vraagt men niet naar de gemoedstoestand en het kennisniveau van de slachtoffers. Iets vergelijkbaars speelt bij loverboys, waar het probleem vaak vanuit de achtergronden van de slachtoffers wordt gedefinieerd. Wanneer een bankbediende slachtoffer van een roofoverval is geworden, voert men toch ook niet aan dat hij onwetend was.
In veel persberichten heeft men het steeds over vrouwen en kinderen die slachtoffer worden van mensenhandel. Verhandelde vrouwen worden in één adem met het symbool van onschuld, het kind, genoemd. Hoewel handel in mannen wel degelijk bestaat, heeft bijna niemand het erover. Niemand vroeg zich een paar jaar geleden bijvoorbeeld af waarom er zo opvallend veel mannen uit Ecuador op de tippelzones verschenen.
Mannen krijgen in de kwestie mensenhandel vooral de rol van dader toebedeeld. Helaas heeft de mystificatie van de mannelijke handelaar veel bijgedragen aan misvattingen omtrent vrouwenhandel. Reeds in de negentiende eeuw vertelde men hartverscheurende verhalen over joodse boeven die vrouwen uit de Oost Europese getto’s naar andere continenten verhandelden.
Hoewel er ook veel niet-joodse mannen en vrouwen op deze markt actief waren, maakte men van de handelaar een man uit een gevaarlijk land, een uitzuiger die leefde van bloed, zweet en tranen van onschuldige vrouwen. Dit paste feilloos in het antisemitische beeld van de jood als vampier met ongeremde lusten. Dit soort mythevorming op grond van racistisch getinte cliché’s heeft bestrijding van mensenhandel bij prostitutie-activisten in een kwaad daglicht gesteld.Na de Wereldoorlogen was de typische vrouwenhandelaar een Afrikaan of Arabier die au pairs als blanke slavinnen aan een harem zou willen toevoegen. Meisjes konden alleen aan dit gevaar ontsnappen door er van af te zien de wijde wereld in te trekken. Preventie van vrouwenhandel bestond in dit geval uit het thuishouden van vrouwen en meisjes. Later zien we de exotische Afrikaanse man weer terugkomen als de gevaarlijke tovenaar die onwetende plattelandsmeisjes door middel van voodootechnieken uit hun vertrouwde omgeving wegrukt. Men vergeet dan licht dat de geperverteerde vorm van wat hier voodoo heet, slechts fungeert als een handige truc om meisjes onder controle van de handelaren te stellen. De eigentijdse variant is de Marokkaanse loverboy. Die bestaat wel degelijk, maar het complexe verschijnsel mensenhandel valt niet te reduceren tot een fout vriendje uit Marokkaanse kringen.
We zien echter dat heel veel vrouwen als daders bij mensenhandel betrokken zijn. Zij worden vaak ingezet omdat zij eerder vertrouwen kunnen bij mogelijke slachtoffers en voor de bewaking van de vrouwen op de werkplek.
Mensenhandel nu
Behalve de misvatting dat mensenhandel alleen ‘onschuldige slachtoffers’ treft meent men dat het verschijnsel zich alleen in de steden of juist alleen op het platteland voorkomt. Dit is onjuist, mensenhandel komt voor in alle sectoren van de prostitutie.
Een ander vooroordeel is dat het in legale, vergunde bordelen mensenhandel niet aan de hand kan zijn. Volgens de rapporteur zijn in 2003 zes exploitanten van vergunde bordelen voor de rechtbank verschenen. Overigens hoeft een exploitant niet altijd te weten dat de bij hem/haar werkzame vrouwen slachtoffer zijn van mensenhandel.
Mensenhandel is een internationaal probleem en komt in alle werelddelen voor en niet alleen in Nederland. De laatste tijd gaan er stemmen op om de legalisering van de prostitutie in Nederland als oorzaak van de toename van vrouwenhandel te zien. Dat is onjuist. Ook landen met een prohibitionistische of reglementarische aanpak van prostitutiebeleid hebben te kampen met mensenhandel. Nederland erkent het probleem echter en bestrijdt het actief.
In haar rapportage over 2003 spreekt de Nationale Rapporteur Mensenhandel het vermoeden uit dat mensenhandel in 2004 is toegenomen ten opzichte van het jaar daarvoor. Dat wordt ook uit andere landen gerapporteerd. Daarnaast constateert zij dat het aantal personen dat aangifte deed of een verklaring aflegde, fors daalde.
In 2004 zijn er 604 signalen binnengekomen, die de basis vormden voor een onderzoek. Uiteindelijk zijn er 201 onderzoeken gestart met als resultaat dat 87 ‘dossiers mensenhandel’ zijn ingeleverd bij het Openbaar Ministerie.
In 2003 en 2002 waren er respectievelijk 257 en 343 meldingen van (mogelijke) slachtoffers, 2001: 284, in 2000: 341. De meeste slachtoffers komen uit Centraal en Oost-Europa en Afrika. (bron: STV)
De B9-regeling maakt het vreemdelingen die (vermoedelijk) slachtoffer of getuige zijn van mensenhandel, mogelijk om gedurende de opsporing en vervolging tijdelijk legaal in Nederland te verblijven en zodoende ter beschikking te blijven van politie en OM. De B9-regeling voorziet in faciliteiten betreffende opvang en onderdak, medische bijstand, rechtshulp en voorzieningen ten behoeve van levensonderhoud.
Naar aanleiding van het ondertekenen door Nederland van het zogeheten Palermo protocol in 2000 is de definitie van mensenhandel in de wet verruimd. Ook uitbuiting en schending van mensenrechten buiten de prostitutie vallen er nu onder.
Zo bracht ECPAT in haar rapportage naar buiten dat er 200 minderjarigen behalve in de prostitutie, ook in huishoudens en ander werk worden uitgebuit. De Rode Draad heeft slechts bemoeienis met mensenhandel ten behoeve van prostitutie of met de enkele menggevallen die ze tegenkomt. Een voorbeeld hiervan waren Oost-Europese vrouwen die gedwongen als escort werkten maar tijdens sluitingstijden van het escortbureau onbetaald woningen moesten schoonmaken.
Cijfermatig materiaal betreft vooral de aangiften en officiële meldingen. Alle betrokkenen geven aan dat het om een topje van de ijsberg gaat. Verschillende bronnen geven aan dat 90 procent van de Oost-Europese vrouwen die legaal in de prostitutie werken op de een of andere manier wordt afgeperst of uitgebuit. Het is de vraag of dit dan ook onder mensenhandel valt of alleen onder het delict afpersing. Dit treft ook vrouwen die alle verblijfsdocumenten op orde hebben.
Maar als het alleen om afpersing gaat, waarom gaan de slachtoffers dan niet massaal naar de rechter? Zo hoorden we bijvoorbeeld dat een vrouw een bemiddelaar een flink bedrag moest betalen voor informatie over werkplekken in Nederland.
Vrouwen worden door middel van chantage (familie op de hoogte stellen van de aard van het werk of bedreiging) om periodiek een bedrag aan een tussenpersoon te overhandigen.
Eenmaal in Nederland krijgen ze vaak te maken met groepen of personen die hen afpersen.Een legaal in Nederland verblijvende Oost-Europese vrouw die zelfstandig woonde werd door een pooier gedwongen haar appartement te delen met een andere vrouw die voor hem werkte.
Voor hen geldt vaak dat ze niet illegaal in Nederland werken of verblijven.
Wanneer er sprake is van ‘toppen van ijsbergen’ of zoals de Afrikaanse variant luidt: de oren van het nijlpaard’ is er veel aanleiding om te twisten over de omvang van het probleem. Wanneer men kijkt naar de uitbuitingssituatie waarin Nederlandse, buitenlandse en illegale vrouwen werken, dan lijkt de omvang groter te zijn dan wanneer men de nadruk legt op ronselpraktijken.
Werving en/of uitbuiting?
Verhalen van slachtoffers van mensenhandel en het idee van mensenhandel kent twee componenten:
- de werving
- de uitbuitingssituatie.
De combinatie van de twee heeft onder rechtsgeleerden en andere deskundigen tot grote discussies geleid. R. Haveman heeft bijvoorbeeld in zijn proefschrift gesteld dat de delictsomschrijving tegenstrijdigheden bevat. Hij stelde voor om de verschillende componenten als aparte misdrijven te zien en als zodanig te berechten. Dit gaat om zaken die sowieso strafbaar zijn:
- verkrachting
- oplichting
- afpersing
- mishandeling
- schending arbeidsrechten (door middel van een civiele procedure aan te pakken)
- vrijheidsberoving
Het lijkt erop dat degenen die de rechten van prostituees naar voren brengen meer nadruk leggen op het aspect ‘uitbuitingssituatie” dan op werving voor prostitutie. Abolitionisten, dat wil zeggen, degenen die menen dat prostitutie moet worden uitgeroeid, daarentegen hebben de neiging zich te concentreren op het werven voor prostitutie.
Hoe strafbaar is het om mensen te vertellen dat ze elders in de wereld meer kunnen verdienen dan in hun eigen land? Hoe strafbaar is het om iemand de werkelijke prijs van een vliegticket voor te schieten? Hoe strafbaar is het om iemand aan te bieden de visumaanvraag in de hoofdstad te regelen? En om daar een vergoeding voor te vragen? Hoe strafbaar is het om iemand met weinig opleiding te vertellen dat Nederland een rijk land is? Daar komt nog bij dat kandidaat slachtoffers zelf geld bieden om het land te kunnen verlaten. De mogelijkheid om vanuit Nederland 20 euro per week naar bijvoorbeeld Brazilië te kunnen sturen, kan heel aanlokkelijk zijn.
Dit heeft ertoe geleid dat radicale activisten op het gebied van hulp aan migranten faliekant tegen het strafbaar stellen zijn van deze praktijken en zelfs de term mensenhandel niet willen gebruiken.
Zij verwarren volgens ons ‘legitieme bemiddeling’ met werving voor mensenhandel. Het maakt immers nogal wat uit of iemand een bedrag betaalt om drie maanden reëel en legaal te kunnen verdienen of dat iemand in een situatie van uitbuiting en illegaliteit terecht komt. In het laatste geval is de uitbuiting in de prostitutie direct gelieerd aan frauduleuze werving.
De Rode Draad onderschrijft het standpunt dat vrouwenhandel niet tot positieverbetering leidt in de landen van herkomst en wel om de volgende redenen:
- onze contacten met slachtoffers ( al of niet ‘schuldig’). Wij horen te vaak dat voor vrouwen die onder valse voorwendselen (zowel omtrent de aard van het werk als de verdiensten) hun vertrouwde omgeving hebben verlaten om langer dan zij wilden in een uitbuitingssituatie te werken, dit een traumatische ervaring is die de rest van hun leven kan bepalen. Wij vinden dit geen goede manier om de armoede van hun gezinnen en families te bestrijden. Wij wijzen ook het idee af dat vooral vrouwen zich moeten ‘opofferen’ voor het welzijn van de familie die hen op de koop toe ook nog na terugkomst verstoot. In tegenstelling tot andere beroepen berust er immers een stigma op prostitutie! Daar komt nog bij dat een relatief klein bedrag bij de familie terechtkomt maar het leeuwendeel van het verdiende geld in de zakken van de personen die deze handel faciliteren verdwijnt. Met andere woorden, de verkeerde mensen worden er rijk van.
- Wij vinden het nuttiger om prostituees en andere vrouwen in de landen van herkomst te ondersteunen in hun streven naar positieverbetering.
- Het argument dat een lage betaling naar Nederlandse maatstaven een fortuin betekent in andere landen, hanteert men ook niet in andere beroepen. Geringe verdiensten moeten gemeten worden naar Nederlandse maatstaven.
- Wij wijzen ook het argument van de hand dat de lage inkomens van de vrouwen in Nederland een gevolg is van een vrije marktwerking. Een vrije marktwerking veronderstelt gelijkwaardige partners waarvan men in dit geval niet kan spreken. Te veel vrouwen werken immers in een afhankelijkheidssituatie. Op lange termijn heeft dat een desastreuze uitwerking op de branche. Wij komen op veel plaatsen waar de ‘geëmancipeerde prostituee in Nederland’, om het in de termen van de oud bewindsman Korthals Altes te vatten, niet meer wil werken. Een tolerantiebeleid heeft voor de vrouwen zelf ook op den duur een vewoestende uitwerking op hun leven.
Wat is uitbuiting?
Frauduleuze werving leidt altijd tot uitbuiting. Maar er kan ook uitbuiting bestaan zonder frauduleuze werving? De verhouding tussen werving en uitbuiting is hetzelfde als de verhouding tussen dieren en olifanten in de uitspraak: een olifant is een dier maar niet alle dieren zijn olifanten. Met andere woorden, uitbuiting kan voorkomen zonder dat er per se een frauduleuze vorm van werving aan vooraf is gegaan, maar door frauduleuze werving werkt een vrouw zich altijd in de nesten terwijl anderen zich aan haar verrijken.
Alle deskundigen zijn het er over eens: er is geen eensluidende definitie van het verschijnsel uitbuiting. In het verlengde daarvan is de vraag wanneer uitbuiting mensenhandel wordt moeilijk te beantwooden. Wij weten het niet precies en niemand heeft nog een sluitend antwoord op die vraag kunnen geven.
Deze onduidelijkheid kwam naar voren op een congres over dit onderwerp, georganiseerd door de Nationale Rapporteur Mensenhandel. Daar beweerde de deskundige Roger Plant bijvoorbeeld dat geschriften over het onderwerp vooral uit emotioneel geladen anekdotes bestaan. In Europa is men zich betrekkelijk recent met deze materie aan de slag gegaan. De onduidelijkheid is ook in de literatuur terug te vinden.
Zie bijvoorbeeld het volgende citaat uit het rapport Inzicht in Uitbuiting:
“Uit de interviews met respondenten blijkt dat er grote onduidelijkheid bestaat over de
definitie van uitbuiting in het algemeen en in het bijzonder over uitbuiting van minderjarigen.
Het begrip uitbuiting in de delictsomschrijving van artikel 273a WvSr biedt
onvoldoende houvast. “Het maar overlaten aan veld en jurisprudentie om invulling aan
het begrip te geven, zet iedereen in een afwachthouding”, aldus een respondent. Voor
een krachtige aanpak van handel in minderjarigen is een duidelijk omschreven definitie
van uitbuiting voor alle ketenpartners onontbeerlijk. Dat geldt zowel voor de politie en
het OM (voor opsporing en vervolging), als voor degenen die maatregelen moeten
nemen en uitvoeren om handel in minderjarigen te voorkomen en te bestrijden.
Zij komen tot de volgende werkdefinitie
Uitbuiting van een ander door gedwongen of verplichte arbeid of diensten waarbij
sprake is van een sterke inperking van de vrije keuze.
Dat de keuze sterk is ingeperkt zouden we vrij kunnen vertalen in de vraag
of iemand kan besluiten ofwel elders te gaan werken (of diensten verlenen)
ofwel terug te keren naar het land van herkomst. Of dit wel of niet mogelijk
is kan het gevolg zijn van dwang of misleiding in ruime zin.’
Uit de literatuur distilleren zij de volgende kenmerken van mensenhandel:
• Meervoudige afhankelijkheid van de werkgever (bijvoorbeeld de werkgever regelt ook huisvesting, kleding, vervoer, of de werknemer heeft schulden bij de werkgever);
• Een sterke inperking van basisvrijheden van de betrokkene (bijvoorbeeld de werknemer kan of mag geen contact hebben met de buitenwereld, heeft geen beschikking over eigen identiteitspapieren, en heeft geen beschikking over eigen verdiensten). Een gebrek aan informatie over de eigen positie (bijvoorbeeld de werknemer is misleid over de aard van het werk of over de verdiensten);
• Het werken of verlenen van diensten onder zeer slechte arbeidsomstandigheden
(bijvoorbeeld de werknemer ontvangt een ongebruikelijk laag
loon, werkt onder gevaarlijke omstandigheden, maakt uitzonderlijke
lange werkdagen of werkweken);
• Aantasting van de lichamelijke integriteit van de betrokkene (bijvoorbeeld het moeten afstaan van organen, onvrijwillig tewerkgesteld in de prostitutie, bedreigd of geconfronteerd met geweld)’
De auteurs wijzen er echter wel op dat het niet moet gaan om incidenten, maar om een systematische schending van mensenrechten.
(Voor het verhaal van een slachtoffer van deze specifieke vorm van mensenhandel in het Engels, klik hier)
Meer of minder aandacht voor prostituees?
De nieuwe formulering van 273 a stelt ook mensenhandel in andere sectoren dan prostitutie strafbaar. Dit zal in de praktijk gaan om au pairs, mensen in de tuinbouw en de bedelarij. De vraag is of die slachtoffers ook een B 9 moeten krijgen, net als de slachtoffers van mensenhandel in de prostitutie? De verwachting is dat dit niet zal gebeuren.
Door verbreding dreigt het genderspecifieke karakter van het delict echter uit beeld te geraken. Men vergeet licht dat vooral vrouwelijke slachtoffers te kampen hebben met een stigma. Dat geldt overigens ook voor de domestic workers die behalve slachtoffer zijn van economische uitbuiting, ook te lijden hebben gehad van seksuele intimidatie op de werkplek.
Tijdens een expertmeeting op 2 december 2005 over dit onderwerp, georganiseerd door de Stichting tegen Vrouwenhandel, was men bang dat in de ijver prostitutie gelijk te stellen aan andere beroepen, het onderscheidende kenmerk van prostitutie, te weten, gestigmatiseerde arbeid, onder tafel zou verdwijnen. Zo vond men bijvoorbeeld, dat prostituees, net als andere werknemers maar een loonvordering moesten instellen als ze worden uitgebuit. Dit betekent dat men geen oog heeft voor het feit dat prostituees altijd al rechteloos zijn geweest. Derhalve zullen ze zeker geen loonvordering instellen tegen exploitanten die bij hoog en bij laag beweren dat ze zelfstandig ondernemers zijn. Het stigma weerhoudt Nederlandse prostituees al hiervan, laat staan dat illegale migranten naar de rechter stappen.
Signalenlijsten van anderen
Vanuit de aard van het werk van De Rode Draad wordt zij vaker geconfronteerd met het element uitbuitingssituatie in de delictsomschrijving dan het element frauduleuze werving. De signalenlijst die wij expliciet en impliciet hanteren zijn vooral signalen van een uitbuitingssituatie. Dit is niet omdat we ronselpraktijken onbelangrijk vinden, maar omdat de vrouwen ons tijdens veldwerk zelden of nooit vertellen hoe ze naar Nederland zijn gekomen.
Er circuleren diverse lijsten van signalen van mensenhandel. Zo hanteert Meld Misdaad Anoniem de volgende lijst waarmee klanten van prostituees signalen van mensenhandel kunnen opvangen.
1. Angstig
2. Geen zelfstandige bewegingsvrijheid
3. Veel en lang in opdracht werken
4. Het dragen van sporen van lichamelijke mishandeling
5. Het afwisselend op verschillende plaatsen werken
6. Overnachten op werkplek
7. Onbekendheid met het eigen werkadres
8. Spreekt geen Nederlands, Engels of Duits
9. Kenmerken op het lichaam die duiden op afhankelijkheid
Ook de politie hanteert een lijst met signalen waarin ze een onderscheid maakt tussen signalen die zwaar en die minder zwaar wegen. Daarin staan ook de bekende symptomen: niet kunnen beschikken over de eigen identiteitspapieren, het hebben van grote schulden, chantage van de familie en lange werktijden. Door signalen qua ernst op te tellen (op te plussen), krijgt men een beeld van de ernst van het vermoeden.
Uitvoering
We krijgen ook concrete meldingen van uitbuitingssituaties, van vrouwen die niet het strafrechtelijke traject in willen maar een civielrechtelijke aanpak voorstaan. Dit gaat vooral om Oost-Europese die weten dat ze in de prostitutie gingen werken. Goede informatie over hun positie zal ze in ieder geval wat verder brengen.In het algemeen zijn wij van mening dat een transparante bedrijfsvoering, ook op arbeidsrechtelijk gebied in prostitutiebedrijven bijdraagt aan preventie van uitbuitingssituaties. Zo bestaat er bijna wereldwijd in de prostitutie het zogenaamde percentagesysteem: de prostituee moet de helft van wat de klant betaalt afstaan aan de exploitant. Dit systeem maakt het de handelaar gemakkelijk om via de exploitant het geld van de prostituee te verkrijgen. We kennen voorbeelden waarbij de verhandelde vrouw niet de ‘gebruikelijke’ 50% moest afdragen, maar 75% . Die extra 25% diende voor de betaling van de handelaar. Wanneer vrouwen moeten wonen en eten op de werkplek, is dat vaak een manier om haar schulden nog verder op te laten lopen. Dergelijke inkomsten zijn moeilijker te verantwoorden wanneer de exploitant gedwongen wordt een heldere boekhouding te voeren. Een goede bedrijfsvoering kan echter niet voorkomen dat een crimineel haar buiten het bedrijf afperst en haar ‘witte’ verdiensten in beslag neemt. Een goede boekhouding kan zo’n vrouw echter bij een eventuele aangifte helpen die verdiensten terug te vorderen. Wij hopen dat verhandelde vrouwen worden gestimuleerd om naast de strafrechtelijke procedures, civielrechtelijke procedures te starten. Wij zoeken naar een emancipatorische methode om mensenhandel te bestrijden.
De procureurs generaal komen in 2006 met een richtlijn waarin ze onderscheid zullen maken tussen strafbare en niet strafbare mensenhandel. Dit klinkt vreemd, maar men doelt op vormen van mensenhandel die krachtens het wetboek van strafrecht moeten worden aangepakt en vormen waarop het arbeidsrecht van toepassing is. De politie zal zich uitsluitend gaan richten op verschijnselen van mensenhandel waarbij de lichamelijke integriteit in het geding is. Voor uitbuiting van migranten in andere sectoren komen instanties als de arbeidsinspectie in beeld.
Maar wij zien nog niet de arbeidsinspectie of de politie gaat optreden als prostituees geen klanten mogen weigeren of door de exploitant worden gedwongen bepaalde handelingen te verrichten. Er is een cultuuromslag voor nodig om seksuele intimidatie op de werkvloer van prostitutiebedrijven net zo serieus te nemen als die in andere sectoren. Wij doen dat wel, en merken geen klanten kunnen weigeren aan als seksuele intimidatie. Wij vinden het werken van meer uren in de prostitutie dan iemand wil ook een vorm van onvrijwillige prostitutie. Men weerhoudt iemand immers te stoppen!. Ook het langer moeten werken dan de overeengekomen periode om de schulden of de reis te moeten betalen, vinden wij ook een vorm van ‘in de prostitutie houden’.
Voor de internationale aanpak moeten heel andere maatregelen worden getroffen, zoals meer samenwerking tussen de politie en hechtere contacten tussen niet-gouvermentele organisaties. Wij vrezen echter dat dit faalt wanneer de positie van prostituees in landen van herkomst niet wordt verbeterd, zij in de illegaliteit blijven en steeds lokale criminelen moeten trotseren. Vervolgens komen zij van de regen in de drup zolang zij nog te rooskleurige informatie over werken in de Nederlandse prostitutie krijgen.
Naar aanleiding van het ondertekenen door Nederland van het zogeheten Palermo protocol in 2000 is de definitie van mensenhandel in de wet verruimd. Ook uitbuiting en schending van mensenrechten buiten de prostitutie vallen er nu onder.
Zo bracht ECPAT in haar rapportage naar buiten dat er 200 minderjarigen behalve in de prostitutie, ook in huishoudens en ander werk worden uitgebuit. De Rode Draad heeft slechts bemoeienis met mensenhandel ten behoeve van prostitutie of met de enkele menggevallen die ze tegenkomt. Een voorbeeld hiervan waren Oost-Europese vrouwen die gedwongen als escort werkten maar tijdens sluitingstijden van het escortbureau onbetaald woningen moesten schoonmaken.
Cijfermatig materiaal betreft vooral de aangiften en officiële meldingen. Alle betrokkenen geven aan dat het om een topje van de ijsberg gaat. Verschillende bronnen geven aan dat 90 procent van de Oost-Europese vrouwen die legaal in de prostitutie werken op de een of andere manier wordt afgeperst of uitgebuit. Het is de vraag of dit dan ook onder mensenhandel valt of alleen onder het delict afpersing. Dit treft ook vrouwen die alle verblijfsdocumenten op orde hebben.
Maar als het alleen om afpersing gaat, waarom gaan de slachtoffers dan niet massaal naar de rechter? Zo hoorden we bijvoorbeeld dat een vrouw een bemiddelaar een flink bedrag moest betalen voor informatie over werkplekken in Nederland.
Vrouwen worden door middel van chantage (familie op de hoogte stellen van de aard van het werk of bedreiging) om periodiek een bedrag aan een tussenpersoon te overhandigen.
Eenmaal in Nederland krijgen ze vaak te maken met groepen of personen die hen afpersen.Een legaal in Nederland verblijvende Oost-Europese vrouw die zelfstandig woonde werd door een pooier gedwongen haar appartement te delen met een andere vrouw die voor hem werkte.
Voor hen geldt vaak dat ze niet illegaal in Nederland werken of verblijven.
Wanneer er sprake is van ‘toppen van ijsbergen’ of zoals de Afrikaanse variant luidt: de oren van het nijlpaard’ is er veel aanleiding om te twisten over de omvang van het probleem. Wanneer men kijkt naar de uitbuitingssituatie waarin Nederlandse, buitenlandse en illegale vrouwen werken, dan lijkt de omvang groter te zijn dan wanneer men de nadruk legt op ronselpraktijken.
De procureurs generaal komen in 2006 met een richtlijn waarin ze onderscheid zullen maken tussen strafbare en niet strafbare mensenhandel. Dit klinkt vreemd, maar men doelt op vormen van mensenhandel die krachtens het wetboek van strafrecht moeten worden aangepakt en vormen waarop het arbeidsrecht van toepassing is. De politie zal zich uitsluitend gaan richten op verschijnselen van mensenhandel waarbij de lichamelijke integriteit in het geding is. Voor uitbuiting van migranten in andere sectoren komen instanties als de arbeidsinspectie in beeld.
Maar wij zien nog niet de arbeidsinspectie of de politie gaat optreden als prostituees geen klanten mogen weigeren of door de exploitant worden gedwongen bepaalde handelingen te verrichten. Er is een cultuuromslag voor nodig om seksuele intimidatie op de werkvloer van prostitutiebedrijven net zo serieus te nemen als die in andere sectoren. Wij doen dat wel, en merken geen klanten kunnen weigeren aan als seksuele intimidatie. Wij vinden het werken van meer uren in de prostitutie dan iemand wil ook een vorm van onvrijwillige prostitutie. Men weerhoudt iemand immers te stoppen!. Ook het langer moeten werken dan de overeengekomen periode om de schulden of de reis te moeten betalen, vinden wij ook een vorm van ‘in de prostitutie houden’.
Voor de internationale aanpak moeten heel andere maatregelen worden getroffen, zoals meer samenwerking tussen de politie en hechtere contacten tussen niet-gouvermentele organisaties. Wij vrezen echter dat dit faalt wanneer de positie van prostituees in landen van herkomst niet wordt verbeterd, zij in de illegaliteit blijven en steeds lokale criminelen moeten trotseren. Vervolgens komen zij van de regen in de drup zolang zij nog te rooskleurige informatie over werken in de Nederlandse prostitutie krijgen.













