- Gevel van het gebouw waar De Rode Draad ook een kantoor heeft. Foto S. Altink
Sinds 2000 heeft De Rode Draad een project in Rotterdam. Helaas is het kantoor aldaar niet meer beschikbaar. De stad Rotterdam heeft echter een cruciale rol gespeeld in het bepalen van het prostitutiebeleid. De hele discussie over de ontmanteling van 250 bis, ook wel het bordeelverbod genoemd, begon eind jaren zeventig in Rotterdam met het opheffen van het raamprostutiegebied op Katendrecht.
De muis die in de Maas pieste
- Relaxbedrijven in Rotterdam. Foto S.Altink
Een jaar Rode Draad in Rotterdam (2001)
Sinds 1 oktober 2000 houdt De Rode Draad ook in Rotterdam kantoor. Het afgelopen jaar is veel tijd uitgetrokken om de vrouwen en mannen op hun werkplek te bezoeken en hen waar mogelijk te informeren over gevolgen en mogelijkheden van de wetswijziging. Ook is er een nieuwe vorm van samenwerking opgezet met het maatschappelijk werk en de GGD.
‘Wat gaat er nu voor ons veranderen?’ Dat was wat veel prostituees De Rode Draad aan de vooravond van de wetswijziging vroegen. Hun was immers een verbetering van de situatie in het vooruitzicht gesteld, maar ze hadden geen idee hoe dat vorm zou krijgen. Velen wisten niet beter of het ging alleen om registratie en belastingbetaling. Weinigen beseften dat het een positieverbetering op het werk kon betekenen.
Positieverbetering zou grotendeels een taak van gemeenten worden. Erg veelbelovend zag dat er toen niet uit. De meeste stads- en dorpsbestuurders waren alleen maar bezig met het beperken van het aantal seksbedrijven tot slechts EEN of liever nog, tot nul. Een voorlichtingscampagne voor de direct betrokkenen, net als bij het introduceren van nieuwe regelgeving op andere gebieden, zat er bij de meeste gemeenten niet in. Sommige gemeenten volstonden met een inspraakronde waarvoor prostituees en exploitanten werden uitgenodigd. Veel prostituees kwamen echter niet, omdat ze weinig voelden voor een publiek optreden.
Een gericht informatie-aanbod voor prostituees zou geen overbodige luxe zijn, al is dit op zichzelf niet voldoende. Ook moeten prostituees bij problemen op de werkplek hulp kunnen inroepen, bijvoorbeeld bij rare huisregels, lange werktijden en verplicht moeten drinken. Als gemeenten al menen iets op dit gebied te moeten ondersteunen, leggen ze die taak meestal bij het maatschappelijk werk of bij GGD’s.
In iedere andere branche zou men het belachelijk vinden om voorlichting over belasting en arbeidsverhoudingen op het bordje van bijvoorbeeld de bedrijfsarts te leggen. Toch vindt men dat in de prostitutie ineens heel normaal. Sociaal verpleegkundigen kunnen echter wel inpakken als zij ook nog commentaar leveren op het management. Het werk van de GGD is te belangrijk om op die manier te worden uitgehold. Gezondheidsvoorlichting is noodzakelijk en de medewerkers van de GGD moeten zorgen dat zij bij de bedrijven kunnen binnenkomen om informatie over soa te geven. Dit geldt grosso modo ook voor het maatschappelijk werk. Problemen oplossen op het werk is geen taak voor het maatschappelijk werk, dat in sommige steden een aparte afdeling voor prostituees heeft. Het is niet aan hulpverleners om met exploitanten te bekvechten. Ze moeten toegang tot de bedrijven blijven houden, bijvoorbeeld om vrouwen die door pooiers bedreigd worden te kunnen weghalen. En als een sekswerker aangifte wil doen van vrouwenhandel, maar ondertussen gewoon wil blijven werken, kan een maatschappelijk werker ook moeilijk met de bedrijfsleider in de clinch gaan. Het maatschappelijk werk is van belang om problemen op het gebied van schuldsanering, relatieproblemen, huisvestingszaken en dergelijke aan te pakken. Daarom moeten maatschappelijk werkers niet in deze taken worden gehinderd door ze in een moeilijke en onprofessionele positie te dwingen. Zij mogen de individuele sekswerkers die zij terzijde staan niet op de werkplek in problemen brengen door wantoestanden aan te kaarten. Overigens hebben sommige hulpverleners en GGD’s zelf ook de neiging dit soort zaken in hun werkveld te betrekken. Dit is een erfenis van de periode voor de wetswijziging, toen er nauwelijks pogingen waren om de infrastructuur van de prostitutie te normaliseren.
In een ideale situatie bestaat De Rode Draad naast het maatschappelijk werk en seint hen in als er een probleem op hun terrein ligt. Rotterdam is tot nu toe de enige stad waar zo’n project draait. Sinds 1 oktober 2000 heeft De Rode Draad er een keer in de week een kantoortje, op een centraal gelegen plaats, achter het Centraal Station. Het kantoor is gehuisvest bij andere vrouwenorganisaties. Dat is op zichzelf al emancipatorisch. Het contact met de andere organisaties verloopt prima. En ook op de werkvloer is er wel oprechte belangstelling voor het steunpunt maar geen ongezonde nieuwsgierigheid. Zelfs was het geen bezwaar dat De Rode Draad geen vrouwenorganisatie is: ook mannen werken immers als sekswerker en kunnen naar het spreekuur komen dat een keer per week wordt gehouden.
Naast het spreekuur wordt er veel tijd uitgetrokken voor bedrijvenbezoek. Niet dat De Rode Draad overal binnenkomt. ‘Even aan de baas vragen of we de folders mogen aanpakken’, krijgen we soms te horen. En: ‘al onze meisjes zijn zelfstandig en wij hebben alles goed voor ze geregeld, dus ze hebben jullie informatie niet nodig.’ In dat geval krijgen exploitanten de GAK-folder uitgereikt, waarin ze kunnen lezen dat als zij voor de vrouwen beslissen, ze al de verdenking op zich laden een ‘baas’ te zijn. En dat kan ze duur komen te staan. Als de in een bedrijf werkzame mannen en vrouwen inderdaad zelfstandig werken, bepalen ze zelf of ze met De Rode Draad praten. Dat is meestal niet zo. Ook waar we wel binnenkomen lijkt de situatie in veel gevallen op loondienst.
Samantha is een van de vrouwen die wekelijks de Rotterdamse bedrijven bezoekt. Desgevraagd vertelt ze: “De situatie op de werkvloer van Rotterdamse seksbedrijven vond ik over het algemeen slecht. De mensen maken een lome indruk, er worden geen of slechte afspraken gemaakt en ze hebben voortdurend met de willekeur van de exploitant te maken. We zijn ook weinig vrouwen tegengekomen met een legale baan ernaast. Prostituees die hun zaakjes voor elkaar hadden, moesten we met een lantaarntje zoeken.
In Rotterdam heb je geen speciaal gebied voor prostitutie: het zit net als het uitgaansleven over de hele stad verspreid. Het is ook heel divers in vorm. Alleen raamprostitutie heb je hier niet. Wel zie je de opkomst van andere vormen van erotisch vermaak zoals seksbioscopen. Ook het animeercircuit is nogal uitgebreid. Volgens mij is Rotterdam de enige stad met een parenclub in een woonbuurt, elders bevinden die gelegenheden zich langs de snelweg. Als je op bedrijvenbezoek gaat, kom je steeds in een andere sfeer terecht. Zo stuitten we op een privéhuis dat tevens meldpunt ongediertebestrijding voor de buurt was. Waar vind je zoiets nog? Of we kwamen ergens waar de exploitant een veelheid aan diensten leverde: hij verkocht viagra, verhuurde Indiase pornofilms, organiseerde vrijgezellenparty’s, regelde escorts, verzorgde trouwpartijen en bemiddelde ook nog wat voor ‘huisvrouwtjes die het lekker vinden’. Inmiddels is dit multi-bedrijf opgedoekt.
Het duurde verder wel even voordat we erachter waren wie waar zit. Het animeercircuit lijkt bijvoorbeeld in handen te zijn van Grieks/Spaanse exploitanten, er is ook een groep exploitanten actief, die vooral met Thaise bedrijfsleiders werkt. In seksbioscoopjes zitten veel Spaanstalige vrouwen. De grote clubs zijn grotendeels in handen van een bepaald figuur. “Soms denk je als je die exploitanten hoort, ‘man, wat lul je nou’ als ze bijvoorbeeld zeggen: ‘er werken hier geen prostituees’ of: ‘mijn vrouw werkt hier en omdat ze mijn vrouw is kan ze niet gedwongen zijn’. Een andere markante uitspraak kwam van een Surinaamse exploitant: ‘Ik wil niet racistisch zijn: maar Nederlanders willen alles steeds op papier hebben’. Ik ben al die tijd in Rotterdam maar een bedrijf of twee drie tegengekomen, waar ik zelf zou willen werken. Dat zijn over het algemeen privéhuizen. Misschien ook wel in zo’n erotisch café, maar nee, dan zit je weer de hele avond tussen die hoempapa en moet je maar afwachten of je een klant krijgt. In een privéhuis kun je tussen de klanten door nog iets voor jezelf doen. En je zit er ook tamelijk beschermd: in een erotisch café heb je te maken met al dat loslopend wild. Daar kan namelijk iedereen naar binnen, ook een gewone drinker. Maar ik heb ook plekken gezien waar ik absoluut niet zou willen werken, ook privéhuizen. Daar hing zo’n bedompte sfeer. De vrouwen zaten er bedrukt bij. De Oost-Europese vrouwen hebben we nauwelijks bereikt. Soms zat er geen een vrouw, de volgende dag waren er weer zes. We hebben er niet naar gevraagd, maar we hadden niet de indruk dat ze de juiste papieren hadden. Niet alleen vrouwen zonder documenten werken in dat zogeheten clandestiene circuit. Ook Nederlandse vrouwen doen dat. Geen wonder, de paar die wel ‘wit’ werken, weten niet goed waar ze heen moeten. Het clandestiene circuit is makkelijker te vinden dan je denkt. Die animeerbars kom je gewoon binnen door de deur. Maar daar kun je niet meteen met de belastingkrant aankomen. De vrouwen noemen zich gastvrouwen en de eigenaren van animeerbars doen net alsof ze toevallig met vriendinnen in de zaak zitten. Maar als ze vijf minuten te laat komen, krijgen ze op hun donder. Dat hebben we zelf meegemaakt. We zouden ze in ieder geval duidelijk willen maken dat het niet normaal is dat je als ‘kroegbezoekster’ gelazer met de barjuffrouw krijgt als je niet op tijd binnenkomt. Ook moeten we nog uitzoeken hoe het daar met de kamerverhuur zit. Kunnen ze zelf kiezen waar ze met hun klanten heengaan, of moeten ze verplicht gebruik maken van het kamerverhuurbedrijf dat er heel toevallig vlak naast is gevestigd. Wat nog echt ontbreekt zijn folders voor mensen die in het illegale circuit werken.
“Op de Rotterdamse tippelzone zou ik nooit mijn brood willen verdienen. Ik zou niet ergens willen werken waar je niet veilig bent en waar zoveel drugs omgaan. Ik heb zelf nog achter het station in stad B. gewerkt. Tippelprostitutie bestond daar al tientallen jaren. Er werkte een kleine, vaste kern en de sociale controle was heel groot, daar stapte je niet zomaar in een auto zonder dat iemand het nummerbord noteerde. In Rotterdam ben ik ook in de huiskamer geweest voor wat ze TTP’ers (Travestieten, Transen en Professionele Prostituees) noemen. Die hebben onderling wel een systeem van sociale controle ontwikkeld. Op zichzelf is tippelen prima, want je kunt er goed mee verdienen. Het is ook heel spannend om te doen. Maar dan moet je er wel wat leuks van kunnen maken, met een paar goede uurhotels in de buurt en een terrasje waar je ook met je klanten heen kan. Er moeten ook duidelijke landelijke openingstijden zijn, zodat die vrouwen niet heen en weer worden gesleept. Dat er eens wordt gezegd: ‘nu is het rust’. Maar al met al is er teveel aandacht voor de tippelzone en vergeet men de rest.
“Wat hebben we dit jaar in Rotterdam bereikt? We hebben overzicht gekregen over de situatie hier. We hebben geprotesteerd tegen camera’s op de tippelzone en de gemeente gewezen op de risico’s van het invoeren van een pasjessysteem voor tippelaarsters. Ook hebben we - dankzij onze contacten met het FNV- de kwestie met de ziekenfondsen en verzekeringen eruit gelicht. Niet dat het meteen is opgelost, maar in beleidskringen zijn ze er toch mee bezig. We hebben een keer kunnen ingrijpen toen een clubarts in de regio verkeerde informatie aan prostituees gaf. Ook hebben we contacten met buurtbewoners gelegd in verband met de tippelzone. Dat gebeurde toen de kwestie met de camera’s en de pasjes speelde. Veel Rotterdammers zagen ook geen heil in die maatregelen en wilden wel praten over goede opvangmogelijkheden. In ieder geval hebben we De Rode Draad in Rotterdam op de kaart gezet, is onze informatie naar de dames en heren doorgesijpeld en hebben we ze meer over de wetswijziging kunnen vertellen. Het enige wat ze daarvoor wisten was ‘dat er iets aankwam’.”
Samantha was zeer tevreden over het verloop van het contact met de andere spelers in het veld. Er was een goede afstemming van taken maar ook een goede doorstroom van informatie. Waar de GGD en het prostitutiemaatschappelijk werk niet konden optreden, kon De Rode Draad inspringen. Wantoestanden kunnen in Rotterdam nu gemeld worden bij een speciaal daarvoor in het leven geroepen meldpunt. Ook buurtbewoners en klanten kunnen daar terecht voor anonieme meldingen. Dit meldpunt fungeert als een buffer naar de politie toe. Voor belangenbehartigers is het namelijk ‘dodelijk’ om als verlengstuk van de politie te worden gezien. Ook kan men bij het meldpunt de zaak aan andere instanties dan aan de politie voorleggen. De aanpak van wantoestanden in de prostitutie is immers niet alleen een taak van de politie: een stadsbestuur, het GAK en de vakbond hebben daarin ook een taak. Dat is een tweede reden waarom het goed is dat er een meldpunt is naast belangenbehartiging, gezondheidszorg en hulpverlening. Maar het kan alleen functioneren als het onafhankelijk is.
In andere steden en regio’s zijn er geen steunpunten die zich alleen met problemen op het werk bezighouden. Jammer, want het is een belangrijk instrument in het bereiken van de doelstellingen van de wet. Al met al verloopt de zaak in Rotterdam naar tevredenheid. Kennelijk bevalt het wederzijds en kan het project van De Rode Draad in Rotterdam nog een tijd doorgaan. Ook Schiedam deed trouwens aan dit project mee. Daar zijn slechts een paar bedrijven waar vrouwen werken, maar zoals ze in Rotterdam zeggen: ‘alle kleine beetjes helpen, zei de muis en piste in de Maas’.
Aanbevelingen
- Belangenbehartiging, hulpverlening en gezondheidszorg ten behoeve van prostituees moeten gescheiden worden, net als bij andere beroepen.
- Er moeten meer steunpunten van De Rode Draad komen.











