Voor de tekst van dit lied: klik op het plaatje van de hoes.

Waaro? Hiero of daaro?

‘Meneer de burgemeester, wij wonen al 65 jaar op Katendrecht. Mijn man heeft twee jaar ziek voor het raam gelegen. Op een dag kwam een souteneur voor het raam staan en deed zijn broek naar beneden. Zo maakte hij duidelijk dat mijn man niet meer voor het raam mocht liggen. Die pooier zou de ruiten eens ingooien.’ Met deze woorden protesteerde een Katendrechtse op een buurtvergadering in 1972 bij Thomassen, de burgemeester van Rotterdam. De bewoners van Katendrecht hadden namelijk in die periode het onbehaaglijke gevoel dat souteneurs ‘van buiten’ de wijk trachtten over te nemen. Bordeelhouder Jan van Oostenbrugge, alias De Nek, kocht bijvoorbeeld in hoog tempo allerlei panden op. Dit wekte beroering bij buurtbewoners die deze monopolisering als een gevaar voor hun zorgvuldig opgebouwd sociaal evenwicht beschouwden. Maar er werden ook souteneurs van buiten de stad gesignaleerd, zoals die uit Den Haag, die niet aanspreekbaar waren voor buurtbewoners. Het escaleerde dan ook toen ‘Hagenezen’ buurtbewoners verboden bij mooi weer buiten op de stoep te zitten, want dat zou de klanten afschrikken. Dit was het eerste van de vele incidenten die tot de uitruiming van Katendrecht zou leiden. Dit voorval was ook illustratief voor de algehele schaalvergroting in de prostitutie, die bij buurtbewoners onbehagen veroorzaakte. De toenemende mobiliteit maakte het voor prostituees mogelijk in andere steden te werken dan waar ze woonden. De komst van de nieuwen werd als een bedreiging aangemerkt: 'De vrouwen die er werken, wonen er niet. Daarom stikt het er van de vlooien en de ratten.'
Daarbij kwam dat Katendrecht tot stadsvernieuwingsgebied was verklaard- in de volksmond tot stadsvernielingsgebied, waar voor prostitutie geen plaats meer was. De bordelen op Katendrecht moesten dicht. De Rotterdamse prostitutie moest opnieuw worden gehuisvest. De gemeente kwam op het lumineuze idee de boel te concentreren in een Eroscentrum, op een zorgvuldig gekozen plaats buiten de woongebieden. Dat was immers wel zo overzichtelijk en bovendien kon de overlast worden beperkt.
De gemeente wees echter plaatsen aan die volgens buurtgroepen te dicht bij woongebieden lagen. ‘Waaro moest het nu komen, hiero of daaro?, zo vroeg men zich af in Rotterdam. Keer op keer wisten buurtbewoners met succes de komst van het Eroscentrum te voorkomen met een beroep op de wet die het gelegenheid geven tot prostitutie geven verbood. Door zo’n Eroscentrum te stichten zou de gemeente zich schuldig maken aan dit delict. Daarnaast rezen er steeds meer twijfels aan het nut van zo’n concentratie van de prostitutie, met andere woorden aan een hoerenreservaat. Een vergelijkbaar instituut in Hamburg had de uitwaaiering van prostitutie niet kunnen voorkomen. Het Rotterdamse Eroscentrum is er nooit gekomen. Het bordeelverbod stond in de weg. Veel Rotterdamse prostituees zochten de geborgenheid van het eigen huis op en werden thuiswerksters.
Eind 1980 is de discussie gestart over de afschaffing van het bordeelverbod, art. 250 bis Wetboek van Strafrecht, met als doel de overlast te kunnen bestrijden. In andere steden, waar monopolievorming en overlast ook onrust wekten, had men daar wel oren naar.

Pooier-generaal

Louw als Pooier-Generaal, een spotprent uit deze periode.

‘Mag ik nu zelfs niet meer naar bed zonder tussenkomst van een bak begonia’s, een hulpverlener en een evaluatie? Mij zou niemand hebben gehoord als ze daar in Rotterdam waren overgegaan tot het verbieden van prostitutie. Na al dat gehannes met een gemeentebordeel, ter zee of in de lucht, was dat tenminste nog iets geweest’, schreef Jan Blokker in de Volkskrant naar aanleiding van pogingen van de gemeente Rotterdam om voor de prostitutie een plaats te vinden na de ontruiming van het raamgebied op Katendrecht. In de jaren zeventig en begin jaren tachtig trachtte Rotterdam met een beheerstichting, waar vooral seksondernemers en gokexploitanten in zaten, tot een Eroscentrum te komen.
De samenwerking tussen de overheden en exploitanten ontaardde begin jaren tachtig in Rotterdam tot een invitatie aan de georganiseerde misdaad om de uitvoering van het prostitutiebeleid ter hand te nemen.
De vraag wie het centrum diende te beheren heeft drie burgemeesters beziggehouden: Thomassen, Van der Louw en Peper. Ze vonden alledrie dat de gemeente zich afzijdig van de dagelijkse gang van zaken moest houden, zodat die niet beschuldigd kon worden van gelegenheid geven tot prostitutie.
In 1970 beweerde de toenmalige wethouder Mentink dat seksclubhouders verantwoordelijk moesten worden gesteld voor de dagelijkse gang van zaken, maar dat het beheer in handen kon komen van ‘nette, NVSH-achtige mensen met een goede reputatie, financiers en oud-wethouders’. Dit illustere gezelschap zou in 1978 gaan samenwerking met de Stichting Exploitatie Eros- en Vermaakcentra, de eerste organisatie van exploitanten in den lande. Die stichting bezat een startkapitaal van 20.000 gulden uit donaties en subsidies. Ene Leyten, een Rotterdamse seksclubeigenaar van het eerste uur, toen al eigenaar van zes clubs, nam de rol van voorzitter op zich. ‘Het is goed dat wij met wethouders en ambtenaren invloed kunnen uitoefenen op het prostitutiebeleid’, zei hij in de Nieuwe Revu.
Nadat het in 1977 gelanceerde plan om van het Rotterdamse Poortgebouw een Eroscentrum te maken op protesten van buurtbewoners was stukgelopen, poogde de toenmalige burgemeester Van der Louw in het geheim een drijvend bordeel in de Waal-Parkhaven vlot te krijgen. Hij was de eerste burgemeester die met de onderwereld in zee ging en kreeg daarom al snel de bijnaam ‘pooier-generaal’. Een olijke exploitant had zelfs zijn club naar hem vernoemd. Prostituees verweten hem toen al dat hij met het botenplan ‘de jongens van de vlakte’gelegenheid gaf aan kartelvorming te doen. Één zo’n boot zou al 2,5 miljoen per jaar opleveren, destijds een enorm bedrag.
In 1980 namen  de gokkoningen Ger Driel Vis en Henk Smol zitting in de Stichting. Driel Vis verdiende destijds met zijn gokimperium gemiddeld een ton per week. Hij beperkte zich niet tot Rotterdam. Met Maup Caransa was hij eigenaar van het Pleintje in Amsterdam. De benodigdheden voor zijn goktent leasete hij, zodat ze niet in beslag genomen konden worden. Stromannen namen tegen een stevige vergoeding de eventuele consequenties van invallen voor hun rekening. Zij waren de zogeheten katvangers. Driel Vis stond hoog op de ranglijst van criminele zakenlieden. Vanaf 1974 had de politie tevergeefs getracht het duo Smol- Driel Vis de pas af te snijden. De kringen waarin Driel Vis verkeerde, waren namelijk niet bepaald die van ‘nette mensen, NVSH-achtig’. Ruzies werden door middel van brandstichting en schietpartijen beslecht.
Met de sekswereld had Driel Vis evenwel weinig van doen gehad. Hij had zich wel eens op de markt van schijnhuwelijken begeven, maar een verzoek van een seksclub om lillliputters te regelen voor een act met honden, ging hem toch te ver. Zijn compagnon Smol kwam wel uit de sekswereld, maar bestierde ook de illegale stadslotto, disco Parkzicht en deed daarnaast in gokautomaten.

Henk Smol in zijn bingopaleis. Fotobureau Cor Vos.

Inmiddels was het Eroscentrum in de fantasie van de beleidsmakers verhuisd naar de Keileweg, een afgelegen industriegebied, waar nog later de tippelzone zou worden gevestigd. De directies van de aldaar gevestigde bedrijven staken er echter een stokje voor. Gokbaas Smol verweerde zich: ‘Seks is een levensbehoefte. Dat geldt niet voor de aspirines en kalmerende middelen die Chefaro produceert. ‘Wanneer die bedrijven zoveel last van ons hebben, nemen ze maar een handje pillen uit eigen keuken.’De bedrijven werden echter door de Hoge Raad in het gelijk gesteld.
Intussen was Bram Peper burgemeester geworden. Hij zat met de prostitutie in zijn maag en wilde die koste wat het kost een plaats geven. Bewoners van de woonwijken protesteerden heftig tegen straatprostitutie terwijl een gokbaas in dezelfde buurt panden opkocht om er bordelen van te maken. In het geheim zette de gemeente daarom de onderhandelingen met Driel Vis voort. Henk Smol had al afgehaakt.
Driel Vis en de zijnen ontwierpen een grootschalig Eroscentrum waar 750 prostituees de winkels en de nachtclubs moesten opluisteren. Aan alles was gedacht. Twee artsen, hoogleraren in spe, namen de medische verzorging voor hun rekening. Er zou zelfs een stalletje komen waar schuldbewuste bezoekers een bloemetje voor de vrouw thuis konden kopen. De miljoenen die nodig waren om dit project te realiseren, ontbraken echter nog. Driel Vis kon alleen zwart geld op tafel leggen. Dat mocht echter niet al te openlijk gebeuren, maar hij wist er wel wat op. Hij speelde de voorlopige koopakte door naar een in het buitenland residerende rentenier, die het geld legaal kon aanleveren. De gebeurtenissen kwamen daarna in een stroomversnelling. Bouw- en Woningtoezicht gaf zonder dralen een bouwvergunning af. Drank- en logementsvergunningen vormden evenmin een probleem.
De politie waarschuwde de toenmalige wethouder Van der Have dat Driel Vis een onderwereldfiguur was tegen wie een onderzoek liep. Wethouder Van der Have reageerde als volgt: ‘Ik heb met Driel Vis en Henk Smol gesproken, hier op mijn kamer. De gemeente doet niet echt zaken met de onderwereld. Maar in de sekswereld kom je niet bij dominees terecht’. Topambtenaar Porrey maakte het nog bonter en zei: ‘Driel Vis is betrouwbaar en komt zijn afspraken altijd strikt eerlijk en zakelijk na’. Bram Peper kon het ook niet zoveel schelen. ‘Ik wist wel dat Driel Vis in het gokwezen zat, maar ik heb daar nooit over doorgevraagd.’ Driel Vis werd op het stadhuis uitgenodigd. In het zowat aanpalende politiebureau werden ondertussen zijn telefoonlijnen afgetapt.
Het beviel de politie geenszins dat de gemeente met Driel Vis in zee ging. Toen politiefunctionarissen op het bureau een bestemmingsplan onder ogen kregen waarin voor ‘een koffiehuis annex hotel voor vrachtwagenchauffeurs’ een overlastvergunning werd aangevraagd, zagen ze hun kans schoon het plan te laten uitlekken. De politie ging zogenaamd ter oriëntatie vragen hoe de bedrijven over hun nieuwe buurman dachten. Er kwam een rel.
Wethouder Henderson zegde op grond van de informatie van de politie de samenwerking met Driel Vis op en in 1986 viel men de gokhuizen binnen. Een poging om de bedrijfswinst in beslag te nemen strandde op Zestienhoven. De politie kwam net te laat. Het geld was de douane gepasseerd en kon niet opnieuw worden ingevoerd. Driel Vis verdween uit beeld met achterlating van een flinke belastingschuld. 

Literatuur: Fijnaut, dr. C.J. Georganiseerde misdaad en politiebeleid, Lochem, 1989, het artikel van Robert van der Roer: "De miljoenengok van Ger van D.V.'

Eerder verschenen in iets gewijzigde vorm in Handel in Hartstocht van Sietske Altink. (Zutphen, 1995)

OQ in Rotterdam

In 2002 was er een revival van de plannen om een Eroscentrum te stichten. De tippelzone in Rotterdam moest dicht en de Leefbaar Rotterdam voelde er wel wat voor om een Eroscentrum op te richten. Er had zich een bekende raamexploitant uit Groningen gemeld, maar hij kwam niet door de Bibob. De Rotterdamse columniste Carrie Jansen, die zich al eerder had ingezet voor de meiden van de Keileweg, schreef een ontwerpwedstrijd uit voor een Eroscentrum. Het startschot voor deze wedstrijd werd gegeven in de sexclub OQ, dat deze zondagmiddag werd opengesteld voor allerlei buitenstaanders. leden van de gemeenteraad, kunstenaars en natuurlijk De Rode Draad hieven er het glas. Pikant detail was dat De Rode Draad tijdens veldwerk meestal bij de OQ werd geweigerd....

De Rode Draad schreef een open brief aan de kunstenaars die aan de slag gingen. Klik hier.

De wethouder die de plannen steunde moest echter het veld ruimen. De plannen voor het Eroscentrum verdwenen weer in de archieven.

zoeken

Sponsors



Lotgenoten Forum