In 2004 bracht De Rode Draad ter ere van het congres een woordenboek uit. Dit is inmiddels wat gedateerd en de diverse lemma zijn elders op deze site ondergebracht.
Volledigheidshalve hier een deel van de tekst:
ABC
Voor u ligt het ABC van het ‘gedachtegoed’ van De Rode Draad. In alfabetische volgorde bevat dit document onze meningen over, zienswijze op en bijdragen aan uiteenlopende onderwerpen op het gebied van prostitutie.
Een pikant detail is dat het idee om een ‘abc’ samen te stellen is ontleend aan de Vereniging van Exploitanten van Relaxbedrijven (VER) die een eigen woordenboek heeft vervaardigd. Twee items zijn onder vermelding van ‘met dank aan’van hen overgenomen. Deze aanpak maakt het mogelijk om zowel enkele ‘theoretisch getinte verhandelingen’ op te nemen als praktische informatie te geven. Waar nodig wordt verwezen naar andere trefwoorden.
Dit is geen volledig lexicon. Gekozen is voor trefwoorden die voor De Rode Draad belangrijk zijn en de positieverbetering van prostituees betreffen. Het gaat om zaken die samen met de vakbond die bij De Rode Draad huist, zijn aangekaart en aangepakt. Op z’n best gaan de wegen van De Rode Draad en de vakbond (Vakwerk) zich scheiden. Op z’n slechtst wordt het boek van De Rode Draad op 31 december gesloten.
De bronnen van het woordenboek zijn de veldwerkverslagen van medewerkers. Ook zijn fragmenten genomen en aangepast uit documenten die de De Rode Draad de laatste tijd heeft geproduceerd. Dit is onder andere het rapport over het Latina project. Enkele stukken hieruit zijn bewerkt tot een publieksversie en in dit woordenboek opgenomen. Dit verklaart waarom er mogelijk buitenproportioneel veel aandacht voor Zuid Amerikaanse vrouwen in dit woordenboek is. We hopen in de toekomst vergelijkbaar uitvoerige studies over andere doelgroepen, bijvoorbeeld prostituees uit Oost-Europa, in latere versies van het ‘gedachtegoed ‘op te nemen. Een andere doelgroep die mogelijk wat ondergesneeuwd lijkt, is die van de mannelijke prostituees. Om tekstuele redenen hebben we niet overal waar we beide seksen bedoelen de aanduiding m/v toegevoegd. Wanneer we uitdrukkelijk vrouwelijke prostituees bedoelen hebben we de term ‘vrouwen’ vaak gebruikt om de herhaling van het woord prostituees te vermijden.
Dit is een speciale uitgave ter gelegenheid van de conferentie van 23 november 2004 die mede door de stad Amsterdam mogelijk is gemaakt.
Inhoudsopgave
Amsterdam
Animeerbars
Arbeid
Arbeidsomstandigheden
Arbeidsongeschiktheid
Atalantas
Bancaire diensten
Belasting
Belastingaftrek
Bescherming van prostituees
Boekhouders
Buitenland
Businessplan
BV Constructie:
Clubartsen
Clubs
Cultuur
Cursussen voor prostituees
Cijfers
Duitsland
Emancipatie
Erotisch café
Escort
Exploitanten
Exploitantisme
Facilitair bedrijf
Feminisme
FNV
Fr .Z.C.T.E.
Gemeenten
Geschiedenis van De Rode Draad
Glossy
Groningen
Huisvesting
Hulpverlening
Huurrecht
Illegaal circuit
Informatietelefoon
Innovatie
Internationale vakbondsvorming
Jongensprostitutie
Kamer van Koophandel
Kenniscentrum
Klanten
Loondienst
Loopbaanverandering
Loverboys
Maatschap
Massagesalon
Media
Mensenhandel
Migranten
Minderjarigen
Modelcontracten
Naam van De Rode Draad
Normaal Beroep
Nul Zes nummers
Oost-Europa
Opheffing van De Rode Draad
Organisatiegraad
Parenclubs
Pasjes, individuele vergunningen
Percentagesysteem
Politie
Pooiers
Privacy en registratieplicht
Projecten van De Rode Draad
Prostitueevriendelijk bordeel van De Rode Draad.
Prijzen
Quiz
Raamprostitutie
Regiokantoor
Religie en christelijke partijen
Rotterdam
Soa (seksueel overdraagbare aandoeningen)
Sociale diensten
Stigma
Thuiswerk
Tippelzone
Transseksuelen, transgenders en travestieten.
Twente
Uitbuiting in de prostitutie
Uitzendbureau
Veldwerk
Verdiensten
Vraag van klanten naar migranten
Vrijwillige Prostitutie
Wapenfeiten van De Rode Draad
Zuidamerikaanse vrouwen
Zweden
ZZP
Arbeid
Hoe is de relatie tot de baas in een seksbedrijf? Is er wel een baas? Als het goed is niet, want de meeste prostituees zijn op papier zelfstandige ondernemers die zelf werktijden en prijzen bepalen, meerdere opdrachtgevers hebben en zeker niet in een gezagsrelatie werken. Dat laatste is het belangrijkste kenmerk van een constructie waarbij er helemaal geen sprake is van zelfstandig ondernemerschap, te weten loondienst. En vaak blijkt dat het geval te zijn.
De exploitant bepaalt bijvoorbeeld wat de werktijden van de dames zijn, dat vrouwen niet bij andere bedrijven mogen werken of dat klanten weigeren er niet bij is. Bij een dergelijk gedrag van de baas is er sprake van een loondienstverhouding en is de prostituee werkneemster. Doordat de exploitant de dames als zelfstandige ondernemer bestempelt, onthoudt hij hun de rechten van werknemers. Hij draagt geen sociale premies af. Voor de prostituees betekent dit dat zij de lusten van loondienst noch die van het zelfstandige ondernemerschap kennen. Het voordeel van zelfstandig ondernemerschap is vrijheid; van loondienst vastigheid, ziekte- en zwangerschapsverlof en bescherming bij ontslag.
De laatste jaren werd vaak gezegd dat na de legalisering de arbeidsinspectie, de instantie die moet controleren of de arbeidsomstandigheden gezond en veilig zijn, een grote rol in de seksindustrie zou gaan spelen. Deze dienst heeft zich goed voorbereid op de voor haar ‘nieuwe bedrijfstak’. Men had zelfs een antwoord klaar op de vraag of er ook damestoiletten in jongensbordelen moesten komen. Maar de arbeidsinspectie kan slechts beperkt optreden op plekken waar alleen maar zelfstandige ondernemers hun bedrijf uitoefenen.
Wel is een exploitant van een seksbedrijf, net als die van een horecabedrijf, verantwoordelijk voor de veiligheid voor allen die zich in zijn bedrijf bevinden, dus ook voor die van de bezoekers. Afgezien daarvan komt de arbeidsinspectie pas in beeld als er loondienstverhoudingen zijn opgelegd en doorgevoerd. Dus ook de Arbeidsinspectie is gebaat bij duidelijkheid in de arbeidsrelaties, met andere woorden bij een definitieve vaststelling van loondienst of zelfstandig ondernemerschap.
De arbeidsinspectie wordt vaak verward met de arbodienst. Een arbodienst is een particuliere instelling waarbij een werkgever zich kan verzekeren tegen ziekte van werknemers. Voor zover bekend zijn de arbodiensten nog niet betrokken bij de seksindustrie. (Zie ook onder Arbeidsomstandigheden, Loondienst, Modelcontracten en ZZP.)
Arbeidsomstandigheden
Dat prostituees in de rottigste panden zitten is niet nieuw. In Frankrijk bijvoorbeeld dacht men aan het begin van de achttiende eeuw dat epidemieën door kwalijke dampen werden veroorzaakt, die onder meer vrijkwamen bij rottingsprocessen van vloeren en muren. Oude huizen moesten, voordat ze geschikt waren voor bewoning, een tijdje door prostituees worden bevolkt. Zij konden dan de gevaarlijke gassen opsnuiven, zodat de echte bewoners er niet meer ziek van konden worden. De arbeidsomstandigheden – dus de omstandigheden op het gebied van gezondheid en veiligheid- zijn sindsdien sterk verbeterd. De legalisering van relaxbedrijven heeft daar een impuls aan gegeven. Bij de meeste bedrijven ziet het er brandschoon uit. Maar er zijn uitzonderingen. Een enkele keer komen we tijdens bedrijvenbezoek in vieze tenten. Soms zie je geen hand voor ogen en delen we op de tast onze folders uit. Illegale bedrijven, dat wil zeggen relaxhuizen die geen vergunning hebben, zijn bijna altijd smerig.
Teneinde een vergunning te krijgen moeten relaxbedrijven aan hygiënische eisen voldoen. Maar hygiënische eisen van wie? Van de GGD? Van de arbeidsinspectie? Van de gemeente? Er is nog geen overeenstemming tussen deze verschillende instanties die allemaal regels uitvaardigen. Het kan zijn dat de gemeente een ander aantal wc’s voorschrijft dan de arbeidsinspectie.
Veel gemeenten hebben met de beste bedoelingen hygiënische normen opgesteld. Zo heeft een van de grote steden bepaald dat er iedere dag schone lakens op de bedden moeten komen. Deze gemeente heeft echter verzuimd erbij te vermelden wie voor de schone lakens moet zorgen, ervan uitgaand dat dit vanzelfsprekend de verantwoordelijkheid van de exploitant is. Maar nee, een aantal exploitanten meent dat de dames iedere avond de lakens thuis in de wasmachine moeten stoppen. We komen ook op andere plekken waar prostituees tussen de klanten door de was moeten doen.
De Zweedse romancier August Strindberg beschreef het huwelijk als een was- en strijkinrichting. Hetzelfde had hij van sommige bordelen kunnen zeggen.
Belastingaftrek
Het betalen van 19% omzetbelasting is voor veel prostituees bij de huidige lage omzet een rib uit het lijf. (Zie ook onder verdiensten en prijzen) Daar komt nog bij dat de kosten voor persoonlijke verzorging, zoals kapper, kleding, lingerie en niet te vergeten voor de pumps maat 48 voor sekswerkers die zich op de markt voor travestieten begeven fiscaal niet aftrekbaar zijn.
Dat kwam doordat de commissie Oort in aftrekposten heeft gesneden, dus ook in die van persoonlijke verzorging voor alle zelfstandige ondernemers. Na Oort gold aanschaf van kleding onder strikte voorwaarden als aftrekpost: bijvoorbeeld als het was voorzien van een bedrijfslogo van 70 cm2. Slechts artiesten, tv presentatoren en sportlieden konden kosten voor hun garderobe zonder meer fiscaal aftrekken. Aan prostituees is toen door de commissie Oort helemaal niet gedacht. Wel drie staatssecretarissen van Financiën zijn door De Rode Draad bestookt met brieven over aftrekbaarheid van persoonlijke verzorging: de aanschaf van lingerie, de zonnebank en avondjurken. Na al die correspondentie kwam er slechts één concessie: dat de kosten voor een vrijwillige preventieve medische controle ‘van de belasting aftrekbaar was’. En overige zaken... ‘als een prostituee kan aantonen dat het voor haar (zijn) beroepsuitoefening noodzakelijk is’ dan mag het verantwoord uitgegeven bedrag’ opgevoerd worden als aftrekpost. Volgens ingewijden dus alleen de ‘onderbroek met spijkers’ aan de binnenkant voor de sadomasochistische specialisatie (SM).
Een pover resultaat. De Rode Draad hoopt nog steeds dat alles wat prostituees aantoonbaar meer uitgeven aan persoonlijke verzorging dan de modale sexy vrouw, een aftrekpost wordt. Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) weet bijvoorbeeld hoeveel avondjurken de Nederlandse vrouw gemiddeld per jaar koopt en hoeveel ze aan lingerie, pruiken en de schoonheidsspecialist uitgeeft.
Bescherming van prostituees
Iedere keer als er een prostituee wordt vermoord, gaat er een golf van angst door het wereldje. Ons bereiken veel verhalen over geweld tegen migrantenprostituees. Tevens lopen zij een verhoogd risico te worden uitgebuit. Dat prostituees bescherming nodig hebben, behoeft geen betoog. En dat deze wantoestanden vaker in illegale bedrijven dan in bedrijven met een vergunning voorkomen, lijkt vanzelfsprekend. Daarom is het goed om de legale sector te beschermen tegen illegale prostitutie. Niettemin kunnen er enkele kanttekeningen bij het begrip ‘bescherming van prostituees’ worden geplaatst.
Het is bijna een wet van Meden en Perzen dat als men prostituees gaat beschermen door ze in een uitzonderingspositie te plaatsen, dit ten koste van hen gaat. Dit betreft vooral de vormen van bescherming die in feite extra controle inhouden. Dit is ook exact wat de politiefunctionaris hun in het verleden tijdens registratie aanbood: we willen weten waar je zit om je te kunnen beschermen. In de vorige eeuw was bescherming ook het excuus om verplichte medische controle te legitimeren. Een derde voorbeeld: pooiers – ook veelzeggend beschermers genoemd -boden veiligheid op voorwaarde dat de prostituee zich door hen liet beheersen.
Een vierde voorbeeld van bescherming van prostituees die tegen hen werkt is de uitzondering in de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV). In tegenstelling tot andere beroepen zal voor prostitutie nooit een werkvergunning krachtens de WAV worden afgegeven. De achterliggende gedachte is de vrouwen bij voorbaat te beschermen tegen vrouwenhandelaren. Het resultaat is dat migranten die hier legaal zouden willen werken, nooit een beroep kunnen doen op de rechten die voortvloeien uit die WAV.
Een vijfde voorbeeld vormen de zogenaamde beschermende maatregelen die sommige clubs troffen en nog treffen. Camera’s in de kamers werden soms door exploitanten misbruikt om te controleren of prostituees geen gelden achterhielden. Wij kennen nog een club waar de veiligheidsmaatregelen zodanig zijn dat prostituees alleen het pand kunnen verlaten als een exploitant bij de deur een bepaalde code intoetst. Beveiliging is goed maar soms gaat men te ver. Prostituees beschouwen dit soort maatregelen niet als bescherming maar als een vorm van bemoeizucht en vernedering. En tot slot een recent voorbeeld: wanneer de politiecontrole op een tippelzone zo hevig is dat klanten er uit angst hun anonimiteit te verliezen, niet meer durven te komen, is er ook iets mis. In dat geval zullen vrouwen buiten de zone gaan tippelen, met alle gevaren van dien. Veiligheidsmaatregelen zijn nuttig, mits ze ook werkelijk prostituees ten goede komen.
Al met al heeft bescherming die met aparte controles van prostituees samengaat een slechte pers. De belangrijkste bescherming die prostituees immers nodig hebben is bescherming van hun gezondheid, hun burgerrechten en hun arbeidsrechten.
Boekhouders
Advocaten, journalisten en artiesten die als zelfstandige ondernemer werken, of ‘freelancen’, zoals het in de volksmond heet, hebben vaak moeite met het bijhouden van de boekhouding. Zij laten dat liever aan een boekhouder over. Dat geldt ook voor prostituees. Tot voor kort was het echter voor hen moeilijk een geschikt administratiekantoor te vinden. Prostituees waren aangewezen op handige jongens die het er wel even bij deden, of op boekhouders die ze van de exploitanten verplicht moesten inhuren – de boeken moesten immers met elkaar kloppen. Bepaalde ‘specialisten’ sprongen in dit gat in de markt maar maakten er nogal eens een potje van: ze weerhielden vrouwen uit het vak te stappen of bezochten de vrouwen op de werkplek. Het probleem met de boekhouders werd extra schrijnend met de komst van de vrouwen uit de zogeheten nieuwe EU landen. Zij mogen namelijk alleen als prostituee werken als ze kunnen aantonen dat ze zelfstandige ondernemer zijn. Net als andere zelfstandige ondernemers moeten ze een businessplan opstellen, een startkapitaal hebben en bewijzen dat hun onderneming levensvatbaar is.
Hun ‘baas’ raadt hun daarom aan een boekhouder in de arm te nemen die hen weer door middel van allerlei dure juridische constructies laat bewijzen dat ze niet in loondienst zijn. Onduidelijke boekhoudkantoren vroegen 1000 euro en een volmacht van de bankrekening van de prostituee voor een nietszeggend ‘businessplan’.
In principe kunnen ingezetenen van de associatielanden, Bulgarije en Roemeni, zich als zelfstandige ondernemer in Nederland vestigen.
Zij moeten bij de Nederlandse ambassade in de hoofdstad een machtiging voor voorlopig verblijf (MVV) aanvragen en in eigen land afwachten. De meeste sekswerkers uit de vroegere en huidige associatielanden hadden dat niet gedaan. Advocaten zeiden een werkvergunning voor hen te kunnen regelen en beweerden dat vrouwen ook tijdens het wachten op deze vergunning gewoon konden blijven doorwerken mits ze hun administratie maar op orde lieten maken door een boekhouder. Dit was niet waar maar kostte hun veel geld. Ook al hadden ze zich in alle bochten gewrongen om aan te tonen dat ze zelfstandige ondernemer waren, ze werkten illegaal met alle consequenties van dien. Nu gaat dit nog om Bulgaarse en Roemeense vrouwen, maar daarvoor zijn honderden vrouwen uit de voormalige associatielanden het schip ingegaan.
Na 1 mei hoeven prostituees uit de tien nieuwe EU landen geen MVV meer aan te vragen, maar ze moeten nog wel aan de normen van het zelfstandige ondernemerschap voldoen.
In samenwerking met de NOAB, de branchevereniging voor boekhouders is een lijst samengesteld van boekhouders die aan de normen van De Rode Draad voldoen. Dit betekent dat het kantoor is aangesloten bij een brancheorganisatie zoals de NOAB, niet voor zowel de prostituees als de exploitant van één bedrijf werkt, niet alleen de prostitutiebranche in zijn klantenbestand heeft, zich onthoudt van dubbelzinnige opmerkingen en prostituees niet op de werkplek bezoekt. Zie www.rodedraad.nl
Buitenland
De Rode Draad is meer beroemd dan groot. De kleinzoon van Mao, de naaste adviseur van Colin Powell, ministers allerlei uit buitenland allerlei, de burgemeester van Taipei, antropologen uit Alaska en mensenrechtenorganisaties uit Helsinki, zij allen zien De Rode Draad als vraagbaak. Een enkeling verzoekt zelfs om een rondleiding in het kantoor waar hooguit drie mensen aanwezig zijn. De Rode Draad krijgt geen subsidie voor buitenlandse contacten, maar de medewerkers doen dat in hun vrije tijd ‘erbij’. Wie gaat al deze delegaties ontvangen na het opheffen van De Rode Draad en de Mr. De Graafstichting?
Clubartsen
Het idee om medische controle van overheidswege verplicht te stellen, is al jaren geleden als ongewenst en stigmatiserend van tafel geveegd. Het impliceert namelijk een periodieke registratie bij een overheidsinstelling. De ervaring in Duitsland waar die verplichting tot voor kort bestond, leert dat prostituees zich daaraan proberen te onttrekken. Verplichte controle geeft bovendien slechts schijnzekerheid, want een besmetting met het hiv-virus is pas na een maand of drie aantoonbaar. Iemand kan al zonder dat hij het merkt direct na de controle besmet raken. Bovendien kunnen klanten de indruk krijgen dat ze het condoom wel achterwege kunnen laten, ‘want de dokter is pas geweest’. Een verplichting van overheidszijde is trouwens niet nodig; prostituees laten zich in de regel vrijwillig controleren.
Exploitanten zijn verplicht een safe seks beleid te voeren en mogen prostituees nooit weerhouden een arts te bezoeken. Aangezien exploitanten ze vaak een 'speciale clubarts' adviseren, kan dat ten koste van de vrije artsenkeuze gaan. Veel clubs hebben contracten met deze artsen die niet altijd even correct handelen. Zo verklaren ze soms gezonde vrouwen ziek om ze maar medicijnen te kunnen verkopen.
Ook is de kans op fouten groot. Te vaak hebben zij bijvoorbeeld een syfilisbesmetting niet opgemerkt. Clubartsen hebben over het algemeen, doordat zij ambulant werken, niet de juiste laboratoriumfaciliteiten bij de hand.
Er zijn in het verleden enkele incidenten geweest waarbij prostituees moesten worden behandeld tengevolge van mishandeling door een klant. De clubarts overlegde in zo’n geval met de exploitant of er wel of geen aangifte mocht worden gedaan.
Ook staan enkele clubartsen bekend om de soepelheid waarmee ze voor Nederland illegale vermageringspillen en pijnstillers verstrekken. Behalve bij hun technische mogelijkheden en vakkennis, zijn er kritische kanttekeningen te plaatsen bij hun opvattingen over beroepsethiek. Enkele van deze artsen handelen in strijd met De Wet op de Medische Behandeling door de uitslagen aan exploitanten te verstrekken. Soms verzuimen ze zelfs de uitslag aan de prostituees mee te delen, wat wel zou moeten. Ook doen ze weinig tegen dubieuze vormen van zelfmedicatie. Zo wordt in sommige huizen gewerkt met ‘bye bye crème’, een middeltje dat na een ‘ongelukje’ alle risico’s zou wegnemen.
Tevens hebben zij zelden aandacht voor andere gezondheidsproblemen dan soa die bij prostituees ook voorkomen zoals rugklachten, blaasontstekingen, ontstoken eileiders en aandoeningen aan de luchtwegen.
Uit Den Haag kregen we klachten over het optreden van een zo’n clubarts. Hij zou veel geld vragen, onder een hoedje spelen met een exploitant die illegaal Zuid-Amerikaanse vrouwen laat werken, vrouwen als ziek diagnosticeren die dat niet waren (om geld voor medicijnen) en (omdat hij niet over het juiste instrumentarium beschikte) vrouwen gezond verklaren die wel een soa hadden. Ook hij gaf de uitslagen aan exploitanten door en werkte mee aan door sommige clubs verplicht gestelde medische keuringen, eveneens een laakbare praktijk. Deze arts was ten gevolge van een berisping van wat destijds het Medisch Tuchtcollege heette op non –actief gezet.
Prostituees moeten zelf kunnen kiezen of ze wel of niet van zo'n clubarts gebruik willen maken. Indien ze dat wel willen, behoren deze artsen aan de prostituees nota's te overhandigen met de kosten van de geleverde diensten Inmiddels hebben de GGD’ en samen met de St. Soa-aids dit probleem met de clubartsen opgepakt. En al enige jaren geleden heeft de st. soa bestrijding (Nu St.Soa-aids) een uitstekend protocol voor de controle ontwikkeld.
Clubs
Clubs leken in hun bloeitijd, begin jaren zeventig, heel aantrekkelijke en veilige werkplekken te zijn met een zekere glamour. In de praktijk viel dat behoorlijk tegen. De hoge prijzen suggereerden hoge verdiensten, maar een groot deel van wat de klant betaalde ging naar de exploitant. Prostituees werden er ook geconfronteerd met rare huisregels zoals boete moeten betalen wanneer bijvoorbeeld een asbak niet was geleegd. Ook moesten vrouwen veel tijd in een klant investeren.
In de begintijd trokken clubs vooral mannen die zonder condoom wilden. Bij raamprostitutie was condoomgebruik altijd al onderdeel van de beroepscode. Een ander nadeel was de provisie op champagne drinken, wat een drankprobleem in de hand kon werken.
Tijdens veldwerk komen we uiteenlopende situaties in clubs tegen. Meestal heerst er een regelrechte gezagsrelatie, soms wordt krampachtig en luidkeels verkondigd dat de werkende vrouwen zelfstandige ondernemers zijn en soms zien we dat er echt pogingen worden gedaan om prostituees in vrijheid te laten werken. Overal horen we wel dezelfde klachten: er zijn te weinig meisjes en de klanten blijven weg. Het aantal clubs is na de legalisering drastisch omlaag gegaan. Exploitanten voeren daar als oorzaak van aan dat ‘de meisjes’ liever in een ondergronds circuit gaan werken dan zich kenbaar gaan maken bij de belastingdienst. Anderen zeggen dat ze niet meer aan personeel aan kunnen komen nu het voor buitenlandse vrouwen moeilijker is gemaakt om te werken en dat Nederlandse meisjes niet als prostituee willen werken. Dit laatste is een aanwijzing dat de werkomstandigheden en verdiensten niet aantrekkelijk genoeg zijn. Andere oorzaken kunnen zijn dat veel clubs te afgelegen liggen zodat prostituees ‘intern’ moeten, dus daar min of meer moeten gaan wonen. Wij horen dat veel vrouwen kiezen voor een meer zelfstandige manier van werken, zoals thuiswerk, waarbij ze geen extra kamerhuur hoeven te betalen of andere afdrachten moeten doen. En inderdaad zijn er aanwijzingen dat clubs ook de klanten minder aanspreken dan vroeger. Degenen die nog willen komen vertrekken uit teleurstelling omdat er te weinig keuze is. Een onderzoek naar de markt voor wat clubs aanbieden is misschien geen overbodige luxe.
Privé-huizen lijken op clubs, maar zijn kleinschaliger en er wordt in de regel geen of weinig alcohol gebruikt. Prostituees geven als voordeel daarvan aan dat ze tussen de klanten door iets voor zichzelf kunnen doen.
Cultuur
Prostitutie is op verschillende manieren te benaderen. In de visie van prostitutie als arbeid ligt het voor de hand positieverbetering te realiseren door prostituees arbeidsrechten te geven. Een andere visie op prostitutie is die van een probleem voor de volksgezondheid. Deze herbergt de mogelijkheid in zich om prostituees te stigmatiseren. Dat wisten hun organisaties echter te voorkomen door erop te wijzen dat zij deskundigen bij uitstek zijn op het gebied van condoomgebruik. Zij kregen een sleutelpositie in de voorlichting. Dit had veel succes tijdens de opkomst van de aids-problematiek. Overal ter wereld grepen organisaties dit aan om positieverbetering op de politieke agenda te krijgen.
Een andere benadering van prostitutie die tot een handelingsperspectief heeft geleid is die van bescherming van slachtoffers. In deze visie wijst men op het belang van het bestrijden van mensenhandel en geweld in de prostitutie. Dit kan worden opgevat als aandacht voor mensenrechten van prostituees. Maar het kan ook leiden tot meer repressie, in die zin dat men denkt geweld te bestrijden door de hele prostitutie uit te roeien. (Zie ook onder Zweden) Er is ook nog een vierde benadering denkbaar: prostitutie als cultuurdragend element. Het is immers ook een onderdeel van de entertainment industrie.
Door de eeuwen heen zijn er banden geweest tussen de prostitutiewereld en kunstenaars. Prostituees waren zelf kunstenaars, hadden hen als klant of verkeerden in dezelfde kringen. De voorbeelden zijn legio: Toulouse Lautrec, Vincent van Gogh, Edith Piaf bezochten vaak bordelen, een aantal jazz musici is groot geworden in ‘slechte huizen’ en de tango is in Argentijnse bordelen aan zijn opmars begonnen. De kunstenaarswereld vormde zodoende vaak een brug naar de ‘gewone’ maatschappij.
De laatste tijd organiseren prostituees in Duitsland, Italië, Taiwan en India culturele festivals. Dit draagt bij tot een positieve beeldvorming van de prostitutie en biedt artistiek ingestelde sekswerkers de mogelijkheid op conferenties hun kunsten te etaleren. De ‘cultuuraanpak’ sluit overigens andere benaderingen niet uit.
Cursussen voor prostituees
De enige scholing voor prostituees die min of meer officieel van overheidswege wordt georganiseerd is voorlichting op het gebied van soa-preventie.
Gezondheidsvoorlichting is goed en noodzakelijk, maar zou slechts een van de onderdelen van een cursuspakket moeten zijn. Een goed scholingsprogramma erkent dat het beroep van prostituee bepaalde vaardigheden vergt. Prostituees blijken die inderdaad te hebben of te hebben ontwikkeld. Dit gaat bijvoorbeeld om mensenkennis, een klantgerichte en/of dienstverlenende instelling, zelfbeheersing en stressbestendigheid.
In het verleden zijn er diverse initiatieven tot scholing genomen. Het meest ambitieuze plan stamt uit het begin van de jaren tachtig toen een studente voorstelde er een studierichting op de sociale academie van te maken.
Jaren geleden heeft het PIC (Prostitutie Informatie Centrum) cursussen georganiseerd. Ook exploitanten boden wel eens cursussen aan, het startsein voor ruzie tussen exploitanten en De Rode Draad over de vraag of prostituees alleen maar werd geleerd hoe ze de klant zo lang mogelijk binnen konden houden zodat ze meer afdrachten moesten doen.
Recent was er een hype betreffende een exploitante die voor een flink bedrag per dagdeel een cursus aanbood waarin het vak al te rooskleurig werd afgeschilderd. Dit heeft zelfs tot Kamervragen geleid. Men is immers bang dat de cursussen ertoe bijdragen mensen tot prostitutie aan te zetten.
De Rode Draad heeft goede ervaringen met kortlopende cursussen, bijvoorbeeld studiedagen. Tot nog toe gingen die vooral over belasting en administratieve vaardigheden. Maar er zijn ook bijeenkomsten denkbaar over tips op het gebied van omgang met klanten, hygiënische maatregelen en dergelijke. Zo is het in verband met promotiekansen ook van belang dat er een training komt in het opzetten van een eigen bedrijf. Bijscholing moet echter wel op vrijwillige grondslag plaatsvinden.
De afwezigheid van een officiële opleiding voor prostituees betekent niet dat prostituees geen vakkennis hebben. Zij scholen zich over het algemeen zelf. Bijscholing binnen het vak prostitutie gebeurt nog in hoge mate informeel. Maar veel prostituees vinden het belangrijk tips en informatie van ervaren prostituees te krijgen. Overigens werkt Vakwerk aan een geschikt cursuspakket.
Cijfers
De geheimzinnigheid die met prostitutie gepaard gaat uit zich in het gebrekkige cijfermateriaal over mensen die ermee te maken hebben. Hoeveel prostituees zijn er, hoeveel klanten en hoeveel bedrijven? Niemand weet het precies. Men schat er meestal op los.
Dat geldt bijvoorbeeld voor de cijfers over minderjarige prostituees. Eind jaren tachtig schatte men hun aantal op duizend, maar nu doet het cijfer van 1330 tot 2080 de ronde, een cijfer dat exact lijkt maar een ruime marge heeft. Bij een andere gelegenheid had men het over 100 tot 1000. De statistieken over 'minderjarigen' worden extra vervuild doordat men kwetsbare vrouwen tot 23 jaar ook tot de 'minderjarigen’ rekent. In dit verband betekent 'minderjarig' zoiets als hulpbehoevend. Dat is onjuist: 'minderjarig' is een term voor een betrekkelijk willekeurige juridische leeftijdsgrens. Weliswaar is het juist om ten behoeve van de hulpverlening soepel om te gaan met de leeftijdsgrens.
Niet alleen van prostituees, maar ook van seksbedrijven blijkt het moeilijk te zijn om de precieze aantallen te bepalen. Er zijn zo’n 800 vergunde bedrijven. Daarbij is het niet altijd duidelijk of men alle privé-huizen en eenmansbedrijfjes meetelt.
Ook het aantal klanten blijft ongewis. Toen zij als belangrijkste partij voor aids-bestrijding in beeld kwamen, presenteerden onderzoekers het schokkende cijfer dat een op de vijf mannen een hoerenloper is. Maar later bleek dat in Nederland een op de tien mannen geregeld prostituees bezoekt, een op de vijf had dat ooit eens gedaan.
In al deze schattingen zitten foutmarges van dertig tot bijna vijfenzeventig procent. Gewoonlijk is in kwantitatief onderzoek een foutmarge van vijf procent toegestaan. Maar kennelijk vindt men bij prostitutieonderzoek het presenteren van vage cijfers acceptabeler dan bij andere maatschappelijke kwesties.
Duitsland
Op 1 januari 2002 is in Duitsland een wet in werking getreden die de positie van prostituees moet verbeteren. De bedoeling is dat prostituees arbeidsrechtelijk sterker staan en meer rechten krijgen ten opzichte van hun klanten. Betaling bij ziekte en pensioen liggen in het verschiet. Reden voor de Duitse evenknie van het FNV, Verdi, om prostituees te gaan ondersteunen. Ook in Duitsland werken veel prostituees als zelfstandige ondernemer, althans op papier. En er wordt gesjoemeld met arbeidscontracten in loondienst verband. Prostituees klagen over willekeur bij belastingheffing. In de ene stad moeten prostituees vermakelijkheidsbelasting betalen en in de andere niet. De in Duitsland verplichte gezondheidscontrole gecombineerd met politieregistratie is afgeschaft, een goede zaak. Maar een goede gezondheidsvoorlichting is er nog niet voor in de plaats gekomen. Allemaal problemen die we in Nederland herkennen, maar ook al gedeeltelijk hebben opgelost, een goede reden om met onze oosterburen in conclaaf te gaan.
Emancipatie
In de negentiende eeuw zag men prostituees als slachtoffers van mannelijke lust en kapitalisme, later van gemankeerde familieverhoudingen en daaruit voortkomende psychische problemen. En in de tweede helft van de vorige eeuw werden zij tot slachtoffers gebombardeerd van seksueel geweld, georganiseerde misdaad, globalisering en armoede in de Derde Wereld.
De komst van harddrugs en aids, de aandacht voor seksueel geweld en vrouwenhandel, maakten ‘ziekte’ en ‘slachtofferschap’ in dit tijdsgewricht weer actueel.
Vanaf het begin van haar bestaan had De Rode Draad te maken met verschijnselen die het thema emancipatie van prostituees naar de achtergrond drukten: de commotie rond verslaafden in de prostitutie, de aidscrisis en de toenemende aandacht voor vrouwenhandel.
Zo had men begin jaren tachtig de jonge verslaafde heroïneprostituee ontdekt. Men concentreerde zich op straatprostitutie, overigens een betrekkelijk klein deel van de markt.
Prostitutie van verslaafden speelde ook een rol bij het tweede probleem dat zich in de prostitutie aandiende: aids. Bij zelforganisaties van prostituees leefde de angst dat de beroepsgroep eenzijdig als een besmettingshaard van de ziekte zou worden aangemerkt. Dat was niet ongegrond, want in vroegere eeuwen zijn prostituees bij epidemieën ook tot zondebok gemaakt. Alleen zij – en niet hun klanten- werden onderworpen aan verplichte medische controles en straffen.
De Rode Draad heeft heel adequaat gereageerd. In 1989 publiceerde ze een brochure waarin de rol van de prostitutie in de verspreiding van aids werd gerelativeerd. De Rode Draad maakte heel creatief gebruik van het gegeven dat prostituees – in tegenstelling tot de vrijgevochten pilgebruiksters – altijd al condooms gebruikten. Zij verspreidde stickers met de tekst ‘Wij doen het met’ die nog steeds in sommige raambuurten te vinden zijn. Het idee dat de hele bevolking – en niet alleen prostituees- veilig moest vrijen, werd al snel door instanties als de Stichting Soa Preventie opgepakt.
Destijds waren exploitanten een zwakke schakel in het safeseksbeleid. Ze hebben uiteindelijk ingezien dat de business op lange termijn daar baat bij heeft. Nu onderstrepen hun organisaties dit unaniem.
In andere landen grepen organisaties van en voor prostituees de kans aan om voor voorlichting aan de eigen groep subsidie in de wacht te slepen. De Rode Draad heeft dat altijd geweigerd. Ziekte kan nooit een gezonde basis voor een vakorganisatie vormen. Aids-preventie en gezondheidszorg zijn voor De Rode Draad kwesties van goede werkomstandigheden geworden. Ook de strijd tegen verplichte medische controles – een actiepunt van het eerste uur- is gewonnen.
Onderzoekers kregen subsidie om onder de vlag van aids-preventie zich met prostitutie bezig te houden. Men voerde het argument aan dat betere arbeidsomstandigheden soa-preventie ten goede zou komen. Zij keerden de redenering van De Rode Draad om: betere omstandigheden vonden zij onderdeel van aids-preventie, die daarmee nummer één werd. Dit argument werd vooral ingezet om geld te krijgen voor onderzoek naar migrantenprostituees. Van de nood werd een deugd gemaakt.
De legalisering is een steun in de rug voor de emancipatie van prostituees geweest. Het wegwerken van de achterstand op arbeidsrechtelijk gebied is pas begonnen. En worden prostituees nu geaccepteerd? Net als de aandacht voor de emancipatie van homoseksuelen niet mag verslappen, kan men zich ook nog niet de luxe veroorloven de emancipatie van prostituees als voltooid te beschouwen. En zoals nieuwkomers in Nederland in het algemeen de emancipatiegedachte weer actualiseren, zo is er ook nog veel werk te verrichten voor de emancipatie van de nieuwkomers in de prostitutie.
Feminisme
Vanaf de negentiende eeuw heeft de vrouwenbeweging erop gehamerd, dat mannen wel degelijk verantwoordelijkheid dragen voor seksueel wangedrag en dat niet kunnen verdedigen met een beroep op ‘de natuur’. In de twintigste eeuw pakten feministen dit thema weer op en wezen erop dat seksueel geweld niet uit frustratie van natuurlijke behoeften, maar uit ongelijke machtsverhoudingen voortkomt.
Wat voorheen zedenmisdrijf heette en vooral een aantasting van de eerbaarheid was, zagen zij nu als seksueel geweld, als inbreuk op de seksuele autonomie. Zelfbeschikking is zo een sleutelbegrip in de emancipatiebeweging geworden. Eind jaren zeventig en begin jaren tachtig kwam in deze emancipatiegolf een internationale beweging op gang voor de emancipatie van prostituees.
Enkele feministen pasten dit begrip ook toe op prostituees en stelden het gangbare standpunt aan de kaak dat prostitutie het toppunt van vrouwenonderdrukking was. Zij vonden daarentegen dat vrouwen zelf over hun lichaam dienden te beschikken, dus er ook geld mee mochten verdienen. Met andere woorden, vrouwen hebben het recht om als prostituee te werken. Op grond van ditzelfde zelfbeschikkingsrecht kunnen zij ook weigeren de prostitutie in te gaan. Met dit laatste werd meteen stelling genomen tegen gedwongen prostitutie, dat wel als een vorm van seksueel geweld werd gezien.
Ook wilden zij het kunstmatige onderscheid tussen ‘madonna’s en ‘hoeren’, tussen ‘nette en slechte vrouwen’, teniet doen. De nette vrouw, de madonna, is in deze beeldvorming de thuiszittende vrouw die boven seksuele lusten is verheven en tot aan het huwelijk maagd blijft. De slechte vrouw is seksueel actief, verlaat huis en haard om te gaan werken, is onkuis en heeft plezier in seks. Zij wordt daarom vaak voor hoer uitgemaakt. Ook andere ‘slechte vrouwen’ als lesbiennes krijgen het scheldwoord ‘hoer’ toegevoegd. Prostituees worden niet alleen voor hoer uitgescholden, ze zijn het ook. Zij vercommercialiseren seks, wat een groot taboe is.
Prostituees zijn dus het slechtste van het slechtste. Maar wat prostituees verder anders dan anderen doen, is bij nadere beschouwing niet duidelijk. Omgang met meerdere seksuele partners, buitenshuis werken, seksualiteit loskoppelen van de voortplanting: dat alles hebben prostituees tegenwoordig met vele vrouwen gemeen. Als men prostituees afwijst, veroordeelt men zowat alle vrouwen. Dus komt het destigmatiseren van prostituees alle vrouwen ten goede, zo redeneerden deze feministen. Door de gezamenlijke inspanningen van organisaties van prostituees en met hen sympathiserende feministen vatte in Nederlandse beleidskringen het idee post dat prostitutie een beroep is waarvoor vrouwen vrijwillig konden kiezen. In 1985 werd de feministische steungroep De Roze Draad opgericht. Die bestond uit vrouwen die De Rode Draad jarenlang daadwerkelijk hebben bijgestaan. Zij waren onderzoekers, hulpverleners en de pioniersters die later de Stichting Tegen Vrouwenhandel zouden oprichten.
De hele discussie werd beheerst door de kwestie van de vrouwelijke seksualiteit en het gedrag van mannelijke hetero’s. Dit vertroebelt het zicht op het feit dat het om een beroep gaat, dat zoals alle beroepen door beide seksen kan worden uitgeoefend. Weer een argument dat prostitutie niet per definitie vrouwenonderdrukking is.
FNV
In de geschiedenis van De Rode Draad is het plan om de organisatie om te vormen tot een vakbond, vaak naar voren gekomen. Dat gebeurde meestal met als achtergrond de wens het wit werken goed te regelen. Bovendien zat er vaak een vorm van onvrede met de huidige rechtsvorm – stichting – achter. In een stichting is het namelijk moeilijk om de achterban een stem te geven.
Een stichting heeft geen leden, slechts donateurs. Zij kunnen het beleid van een stichting niet beïnvloeden. De vakbondsgedachte veronderstelt echter de verenigingsvorm. In een vereniging maken de leden het beleid uit.
Een ‘vakbond’ zou beide problemen in een klap oplossen; het bood prostituees een middel om de eigen positie te verbeteren en gaf ze beslissingsbevoegdheid.
Van meet af aan heeft men echter het bezwaar ingezien dat lidmaatschap betekent dat leden hun identiteit bekend moeten maken. Daarom ging de vakbonds/coöperatie gedachte altijd gepaard met de uitvinding van een of ander pasjessysteem dat de anonimiteit zou garanderen. Een vakbond of coöperatieve vereniging zou pasjes gaan maken met cijfers of andere codes waarmee prostituees zich bij de belasting of een exploitant konden melden. Maar zo’n systeem met codes die bij een onafhankelijke notaris moesten worden neergelegd – bleek praktisch en financieel niet haalbaar.
Eind 1999 besloot De Rode Draad daadwerkelijk om een vakbond op te richten. De tijd zou eindelijk rijp zijn. Een medewerker beriep zich optimistisch op een onderzoek van de NCRV twee jaar eerder waaruit bleek dat mensen het – in ieder geval sociaal wenselijk - antwoord gaven dat ze prostituees accepteerden. In deze periode wordt ‘de omvorming van de vakbond’ hals over kop bij de doelgroep en bij de zusterorganisaties geïntroduceerd.
Een groepje stagiaires van de Hogeschool Amsterdam heeft in deze periode een soort marketingonderzoek onder raamprostituees verricht. Dit rapport verscheen in april 2000. Daaruit bleek dat veel prostituees vakbondswerk verwarden met hulpverlening waar ze geen behoefte aan hadden. Een ander groepje vond een vakbond niet nodig- zij deden het werk immers slechts tijdelijk, een argument waar De Rode Draad sinds haar oprichting tegenaan loopt. Bijna de helft van de ondervraagden beoordeelden vakbondsvorming positief. Deze vrouwen wilden vooral juridische hulp, maar waren maar beperkt bereid voor lidmaatschap en diensten te betalen en wilden niet naar bijeenkomsten komen. Dat waren bekende argumenten maar men hoopte toch een groep voortrekkers aan te spreken. De voorbereidende werkzaamheden gingen van start.
Vanaf 1993 heeft De Rode Draad met het FNV contact gehad over aansluiting of hulp bij de oprichting van een eigen vakbond. Prostituees werden toen al van harte uitgenodigd om lid te worden, mits ze in een loondienstsituatie werkten en hun anonimiteit prijs wilden geven. Het FNV snapte zelf dat dit nauwelijks voor zou komen in de prostitutie en probeerde met de toenmalige medewerksters tussenoplossingen te zoeken. In 1997 kwam het FNV met een breder aanbod dan alleen voor werknemers. Sinds 1997 is er bij het FNV een afdeling voor zelfstandigen zonder personeel, afgekort tot zzp’ ers. Dit had te maken met ontwikkelingen waarbij mensen in de video- en audio branche en later ook in de bouwnijverheid niet meer in vaste dienst werkten, maar als ‘zelfstandigen’.
Vlak voor de legalisering kwam de FNV-man Dick Hamaker in beeld, die de zaak voortvarend ter hand nam. De verenigingsgedachte werd uitgediept, hij ging mee op onderhandelingen en trachtte het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te interesseren voor de zaak van de prostituees, iets wat pas in 2003 zou gaan lukken. Bovendien zorgde hij dat de vrouwen van De Rode Draad in conferentieoorden bijgeschoold werden tot vakbondsbestuurders, wat er feestelijk aan toeging.
In 2001 werd uiteindelijk officieel met behulp van het FNV de beroepsvereniging Vakwerk opgericht. Deze vereniging stond -en staat nog- open voor zowel zelfstandigen zonder personeel als voor prostituees in loondienst. Alleen prostituees en ex-prostituees kunnen lid worden. Het FNV levert expertise en helpt met het vormgeven van zowel zelfstandig ondernemerschap als loondienst. Het was een uitgemaakte zaak dat het FNV slechts een deel van het takenpakket van De Rode Draad over zou kunnen nemen. De Rode Draad zou immers altijd doelgroepen en doelstellingen blijven houden die niet bij het FNV thuis horen.
Daarna kwam het FNV in financiële moeilijkheden. Het FNV bleef Vakwerk met raad en daad ondersteunen, en speelt nog steeds een belangrijke rol bij het opstellen van de modelcontracten, maar kan Vakwerk niet financieren. Daarnaast speelt de onduidelijkheid op de werkvloer van prostitutiebedrijven. Vallen prostituees doordat ze op papier zelfstandige ondernemers zijn onder de ZZP of moeten ze zich als werknemers in loondienst tot FNV bondgenoten wenden? Die vraag is nog niet beantwoord.
De opbouw van de vereniging Vakwerk was een project van De Rode Draad. Vakwerk ontvangt geen subsidie en drijft op vrijwilligerswerk. De medewerkers van de stichting De Rode Draad adviseerden de vereniging. Deze organisatiestructuur impliceert dat De Rode Draad de belangenbehartiging uiteindelijk aan Vakwerk- ondersteund door het FNV- moet overlaten. Ook het ‘politieke werk’ van De Rode Draad is overgedragen aan Vakwerk. Deze vakbond zoekt nog een ruimte om zelfstandig deze taken op te pakken. De Rode Draad zal onder andere als Kenniscentrum de informatie van de overheid gaan verspreiden en toelichten.
Groningen
In Groningen heeft De Rode Draad een steunpunt. De medewerkster daar kwam er tot haar verbijstering achter dat enkele gemeenten in de provincie Groningen nog geen vergunningstelsel hadden. Dat daardoor malafide bedrijven geen strobreed in de weg werd gelegd, bleek al spoedig tijdens veldwerk. Het was bijvoorbeeld opvallend dat er tot voor kort juist in de Ommelanden van Groningen (met andere woorden in de provincie) veel Braziliaansen zijn aangetroffen. Dit gaat om Nieuw Beerta, Hoogezand, Vlagwedde, Oudeschans en Klein Ulsda. Dit betekent in de praktijk dat ze in bijna alle clubs in de regio te vinden waren. Het is niet bekend of ze allemaal uit hetzelfde gebied in Brazilië kwamen. Volgens de cliëntenregistratie van De Stichting tegen Vrouwenhandel van 2003 waren er vijftien vrouwen uit Zuid-Amerika bij hen aangemeld, waarvan veertien uit Brazilië. Deze Braziliaansen waren bij De Stichting Tegen Vrouwenhandel terecht gekomen na een gerichte actie van de politie Groningen. Opvallend is dat in deze clubs ook veel illegale vrouwen uit Oost-Europa werkten, bijvoorbeeld uit de Oekraïne en uit Wit-Rusland.
Al deze vrouwen waren stellig van mening dat ze legaal waren. Ze konden werkvergunningen laten zien waarop stond dat arbeid als zelfstandige ondernemer was toegestaan mits ze in de toegewezen club bleven. Vreemd, als ze echt een werkvergunning zouden hebben, mochten ze in ieder beroep werken en zou seksuele dienstverlening niet specifiek op hun vergunning vermeld staan. Daarnaast is het verwonderlijk dat ze als zelfstandige onderneemster slechts in die ene club konden werken. Een zelfstandige ondernemer heeft immers per definitie meerdere opdrachtgevers en kan naar keuze op verschillende plekken werken. Aanvankelijk dachten we dat het goede vervalsingen waren. Bij navraag opperde de politie dat dit slechts om een aanvraag voor een verblijfsvergunning ging en niet om de vergunning zelf. Bij een tweede bezoek in 2004 doken ze weer op. Bovendien zijn dergelijke werkvergunningen ook in Alkmaar en Den Helder gesignaleerd. Inmiddels hebben we informatie dat het echte documenten waren. We wisten dat de vrouwen nog niet lang in Nederland waren. Een zegsman van de politie gaf aan dat de reden voor het gedogen was dat de vrouwen dan voor een aangifte bereikbaar bleven. Dit was te meer schrijnend omdat de vrouwen te kennen gaven zeer geïsoleerd op het platteland te wonen. Ze mochten maar een keer per week naar buiten en hadden tijdens hun hele verblijf in Nederland niet één keer in de stad gewinkeld. Ze klaagden steen en been over de verdiensten. In een van de clubs kon de klant voor het lage entreegeld van 70 euro de hele avond gratis drinken en met één van de vrouwen naar bed. Het laat het zich raden hoeveel de vrouwen in kwestie zelf kregen. In een andere club had men tengevolge van het dalende bezoekersaantal de prijs verlaagd. De vrouwen werden gecompenseerd doordat ze zestig procent kregen van wat de klant betaalde, in plaats van de gebruikelijke vijftig procent. Maar dit vormde geen substantiële tegemoetkoming voor de lage verdiensten.
Van verschillende kanten (exploitanten en andere informanten) werd indertijd een mensenhandelnetwerk genoemd dat door ene Carlos geleid zou worden. Door dit netwerk zouden vele Dominicaanse en Braziliaanse vrouwen in de noordelijke provincies zijn geplaatst. De aanvoerlijnen van die vrouwen zouden via Suriname, maar vooral via de Antillen lopen. In Heerenveen kwamen we een Braziliaanse tegen die een duidelijk mensenhandelverhaal vertelde. Haar was werk als danseres beloofd. Ze had 600 euro aan een advocaat in Den Haag betaald die alles wel zou regelen. Haar zus was met een man uit Enschede getrouwd maar daar was ze niet meer welkom. We hebben een afspraak gemaakt om haar de mogelijkheden en onmogelijkheden van een aangifte uit te leggen. Zij kwam niet opdagen. Jammer, want we hadden graag meer gehoord over die (zogenaamde) advocaat in Den Haag die ook vaak in verband met de eerder genoemde Carlos werd gebracht.
De politie zou nu wel actief optreden tegen mensenhandel in de Ommelanden van Groningen. Ruim een jaar na de eerste verhalen over deze Carlos is hij uiteindelijk opgepakt.
In een later stadium kwamen we in deze regio vooral Oost-Europese vrouwen tegen. Exploitanten beweerden daar dat Russische vrouwen volgens de politie tot 1 mei 2004 mochten werken, wat overigens niet in overeenstemming is met de landelijke regelgeving. Russische vrouwen mochten als niet- EU burgers al vanaf 2000 niet meer werken. Enkele clubs waren in handen van dubieuze Russen en wij vermoedden op grond van hun talenkennis dat de vrouwen uit de zogenaamde nieuwe landen in feite uit de Oekraïne of Wit-Rusland kwamen.
Informatietelefoon
‘Ja, met mij! Ik ben het er niet mee eens!!!!’, zo meldde zich een vrouw die protesteerde tegen de hoge honoraria van advocaten, zo bleek na enige tijd doorvragen aan de telefoon. Wij vertelden haar dat je ook zelf een verblijfsvergunning kunt aanvragen. Prostituees kunnen anoniem bellen en hun problemen voorleggen. Zo krijgen we heel veel telefoontjes over uiteenlopende kwesties waarin we bepaalde trends kunnen ontdekken. De laatste tijd bellen opvallend veel thuiswerkers. Een betrekkelijk nieuw type vraag komt van vrouwen die in bedrijven werken waar de belastingdienst loondienstverhoudingen heeft opgelegd. Heel vaak krijgen die vrouwen arbeidscontracten voorgelegd die wurgcontracten lijken. Een jaar geleden belden vooral vrouwen die een boekhouder zochten of die meldden dat ze weliswaar op papier zelfstandige ondernemer waren, maar in de praktijk niet.
Negentig procent van de bellers durft een klacht niet door te zetten. Wanneer prostituees daadwerkelijk actie willen, worden ze doorverwezen naar Vakwerk.
Hoewel vragen over ‘belasting betalen’ niet meer de overhand hebben, komen deze nog steeds voor.
Innovatie
‘Schichtig dwaalt ze langs de Wallen en de grachtjes
Met haar boodschappentas vol speelgoed en rookvlees
Schuw beantwoordt ze de zinnelijke lachjes
Van Chinese Arie en van Haagse Kees, ‘
Aldus bezingt Jasperina de Jong een denkbeeldige warme buurt waar mannen achter de ramen zitten. Een experiment in 1995 om mannen daadwerkelijk op de Wallen achter de ramen te zetten, mislukte. De exploitanten staken er namelijk een stokje voor, ze waren bang dat de échte klandizie weg zou blijven. Tegenwoordig zitten er wel mannen achter het raam, maar ze zijn als zodanig moeilijk herkenbaar, ze zien eruit als vrouwen. De politie vindt het zelfs nodig toeristen te waarschuwen dat de dame in kwestie onder haar kleding een heer kan zijn.
Sowieso valt er in de Nederlandse prostitutie een trend te bespeuren naar grotere diversiteit. SM-clubs houden vrouwenavonden en in veel clubs zijn stellen tegenwoordig ook welkom. En op Internet ziet men regelmatig dat een vrouw samen met haar partner ontvangt.
Het is een vooroordeel dat alleen mannen afnemers zijn van ‘erotisch’ vermaak. Dat idee stamt uit de tijd dat men veronderstelde dat mannen een natuurlijke behoefte hadden aan seks en dat vrouwen geacht werden monogaam te blijven.
Naast de markt voor homoseksuele mannen en vrouwen, is er een kleine groep mannen die voor hetero vrouwen werkt, de zogeheten gigolo's. Zij opereren niet in een georganiseerd verband en zijn voor zover bekend in hoge mate eigen baas. Naar verluidt bedienen zij een kleine, maar gestaag groeiende markt voor vooral carrièrevrouwen. Deze kunnen zich immers de hoge prijzen van escorts veroorloven. In andere werksoorten wilde het niet zo lukken. Een bordeel voor vrouwen dat in 1984 werd geopend, moest bij gebrek aan klandizie al snel de deuren sluiten. En dat binnenkort mannen 'in geblokte onderbroeken', zoals bezongen door Jasperina de Jong, achter de ramen plaats gaan nemen, is ook niet waarschijnlijk. Het zal in Nederland nog even duren voordat de markt van mannen voor hetero vrouwen net zo’n bloei meemaakt als in bijvoorbeeld Italië. Wanneer prostitutie voor vrouwen ter sprake komt, blijven de meningen hangen in clichématige benaderingen van vrouwelijke seksualiteit. ‘Vrouwen hoeven niet te betalen, die kunnen het gratis krijgen', is een weinig onderbouwde verklaring voor de geringe belangstelling voor deze vorm van prostitutie. Maar sommige vrouwen geven net als bepaalde mannen de voorkeur aan commerciële contacten, omdat daarmee het risico tot het minimum beperkt blijft dat er een relatie uit voortkomt.
Mogelijk hebben vrouwen nog wel heel andere redenen om mondjesmaat gebruik te maken van deze voorziening. Een veelgehoorde klacht luidt dat het huidige aanbod niet gevarieerd genoeg is.
Internationale vakbondsvorming
Het verzet van prostituees tegen slechte werkomstandigheden en rechteloosheid is zo oud als hun beroep. In het oude Griekenland bijvoorbeeld bestond er belangenbehartiging voor publieke vrouwen. Dat blijkt uit een bedankbrief die zij aan de rechtsgeleerde Hypereiades schreven, die het voor hen had opgenomen.
In de Middeleeuwen kozen de ‘deernen’ uit hun midden een koningin die hen verdedigde. In Frankrijk protesteerden deze koninginnen vooral tegen de kledingvoorschriften. Publieke vrouwen mochten geen bont, fluweel en damast dragen. Japonnen met een lange sleep en gouden ceintuurs waren voor hen ook uit den boze. Die voorschriften dienden om ze gescheiden te houden van ‘eerbare vrouwen’, die wel een vrije kledingkeuze hadden.
In het begin van de vorige eeuw roerden Amsterdamse prostituees zich toen het bordeelverbod werd afgekondigd. Ze hielden een protestoptocht, schreven een raadsadres – een soort petitie- en brachten pamfletten met bordeelgeheimen in omloop. Ze eisten een financiële tegemoetkoming voor ‘toevallig’ geboren kinderen en een compensatie voor het inkomensverlies dat zij door de bordeelsluiting hadden geleden.
Sinds de jaren zeventig van de twintigste eeuw heeft de beweging tijdens de tweede emancipatiegolf een internationale impuls gekregen. In Uruguay ontstond de eerste vakbondsachtige zelforganisatie van sekswerkers, op de voet gevolgd door de Verenigde Staten. In Nederland waren er eind jaren zeventig kleinschalige initiatieven die in 1984 culmineerden in de oprichting van De Rode Draad.
‘We willen dat de vakbond invallen doet in de bordelen om de vrouwenhandel te bestrijden en niet de politie’, is een van de leuzen van de zusterorganisatie in India. Toekennen van arbeidsrechten wordt door veel zelforganisaties van prostituees als een probaat middel tegen uitbuiting gezien. In Azië, de Verenigde Staten en Australië zijn zelforganisaties van prostituees actief, die vaak in meer of mindere mate gesteund worden door de reguliere vakbonden. Vooral Zuid-Amerika kent een grote vakbondsdichtheid en is een bakermat van vakbondsvorming voor sekswerkers.
In Ecuador bestaat bijvoorbeeld al sinds 1982 een vakorganisatie voor prostituees. In 1987 hebben ze rechtspersoonlijkheid gekregen als Asociacion Feminina de Trabajadoras Autonomas de 22 de Junio de El Oro . Ze hebben zich aangesloten bij een reguliere vakbond. Ze strijden zoals vele zusterorganisaties voor de erkenning van sekswerk. Ze hebben hun verhaal in boekvorm uitgebracht en geven een tijdschrift uit. Ze onderhouden ook contacten met andere vrouwenorganisaties en zijn in 2000 tot de Nationale Vrouwenraad toegetreden. Het hoofdkwartier is in Machala gevestigd.
In 1982 heeft ene Dr. Palomeque op een bijeenkomst voorgesteld een vakbond te gaan vormen. ‘Iedereen maakt misbruik van ons, politie en gezondheidszorg’ zo luidde de algemene klacht. In datzelfde jaar demonstreerden 300 vrouwen bij de ‘General Assembly’ voor het recht op de mogelijkheid om leningen af te kunnen sluiten en voor meer economische hulp. Ook protesteerden ze tegen de politie die gratis dienstverlening wilde. In 1987 speelden ze het klaar de extra belasting die prostituees moesten betalen af te schaffen. Ze dienden daarvoor namelijk speciale vouchers van de politie te kopen –waarmee ze konden bewijzen dat ze belasting hadden betaald - en die op gezette tijden in te leveren. Een ander strijdpunt vormde de door de overheid vastgestelde prijzen voor seksuele dienstverlening. Men had die op de deuren van de bordelen geschilderd.
De dames pakten een verfpot en streepten dat bedrag dat lager was dan wat ze zelf vroegen gewoon door.
In 1989 werd in Ecuador het eerste geval van aids gemeld. Er ontstond paniek en de meeste vrouwen wilden stoppen. Bovendien werden ze gestigmatiseerd als oorzaak van de verspreiding van aids. Dit alles vormde de aanleiding om een eigen aids-programma te starten: La Sala.
In 1991 vond de eerste nationale vergadering plaats. Daar werden problemen als dwang tot alcohol drin¬ken en de verplichte gezondheidskaart aan de orde gesteld. Een ander onderwerp was het geweld van leraren ten aanzien van kinderen van sekswer¬kers.
Dat jaar werd ook gekenmerkt door de strijd tegen uitbuiting door bordeelhouders. Prostituees verbrandden de matrassen in de peeskamers om de eigenaren te dwingen nieuwe exemplaren zonder maden te verstrekken. Ze hebben in Puentecita tien dagen gestaakt voor betere hygiënische werkomstandigheden. De vrouwen die de staking wilden breken werden uit hun kamers gesleurd. Ze pleitten voor collectieve kamerhuurovereenkomsten zodat individuele prostituees niet meer steeds met de verhuurders hoefden te onderhandelen.
In 1997 verloren ze de strijd tegen exploitanten voor betere arbeidsomstandigheden. Maar in 1999 wisten ze een systeem voor pensioenen en leningen voor de leden op te zetten.
In Chili heet de vakbond voor 600 sekswerkers Angelina Lina. Een van de woordvoersters: ‘De vrouwen zijn er zich hier van bewust dat ze in een belangrijke economische sector werken. De meeste sekswerkers zijn moeder en tevens kostwinner. We strijden voor gelijke rechten en beloning voor mannen en vrouwen. Ook zoeken we aansluiting met vrouwengroepen in de vakbonden. We willen erkenning van ons werk en dezelfde rechten als anderen die buitenshuis werken. We willen ook zeggenschap over onze eigen situatie. Vandaar dat we een vakbond zijn gaan vormen om onze politieke participatie te realiseren. Eén van de belangrijkste actiepunten is dat er een einde komt aan vervolging door de politie.’
Angelina Lina organiseert workshops over aids-preventie en over het leren omgaan met de grofheden die tegen hen worden begaan. De organisatie beweert dat er 15.700 sekswerkers in Chili zijn.
De Asociación de las Mujeres Meretrices de Argentina (AMMAR) die dateert van maart 2003, is de zelforganisatie van Argentijnse sekswerkers. Ze is gelieerd aan een van de kleinere vakbonden. De organisatie houdt workshops over aids en empowerment. Ze heeft ook een voedselprogramma en een overeenkomst met de autoriteiten om gestolen identiteitspapieren terug te krijgen. Bemiddelaars pakken die nogal eens af om de vrouwen in hun bewegingsvrijheid te belemmeren.
Men heeft contacten met volksvertegenwoordigers in het parlement en zodoende een werkeloosheidsuitkering voor selfemployed werkers tot stand gebracht. Ammar verzet zich ook tegen de beperkingen voor straatprostituees die nu een halve kilometer buiten woonbuurten moeten werken.
In de Dominicaanse Republiek is in 1995 Modemu (Movimiento de Mujeres Unidas) opgericht, een zelforganisatie van prostituees. Modemu wil arbeidsrechten, zoals betaald verlof, geen boetes meer opgelegd krijgen en de macht van bordeeleigenaren breken. Deze organisatie eist dat de overheid het geweld tegen sekswerkers aanpakt. Ook willen deze vrouwen recht op onderwijs. Zij strijden voor vast werk en punctuele betaling, een vrije dag per week, sociale zekerheid, zwangerschapsverlof en twee weken betaalde vakantie.
Overal ter wereld hebben deze organisaties dezelfde eisen: geen discriminatie, decriminalisering van het beroep, betere bescherming tegen geweld en ziekten, goed onderwijs voor de kinderen en betere arbeidsvoorwaarden. De accenten die de beweging legt kunnen wel per regio verschillen. In India en Afrika bijvoorbeeld benadrukken de zusterorganisaties bescherming tegen aids, in de Verenigde Staten decriminalisering en in Colombia bestrijding van geweld tegen prostituees. Zo hebben alle prostituees de hele wereld in min of meerdere mate te maken met de aids-problematiek, maar hoe ernstig dit is, varieert per land. In Nederland staat dat niet in de top tien van problemen, maar bijvoorbeeld in India wel. De overeenkomsten zijn echter groter dan de verschillen. Buitenstaanders verbazen zich er altijd over hoe snel op internationale congressen van zusterorganisaties overeenstemming wordt bereikt over een eisenpakket en de inhoud van manifesten.
De internationale vakbeweging raakt steeds meer geïnteresseerd in de zogeheten informele sector waarvan sekswerk ook deel van uitmaakt.
Jongensprostitutie
‘Only for men!! “O nee hoor U kunt niet binnen komen want U zijt dames”, aldus de exploitant van het vermeende illegale jongensbordeel. De man beweerde bij hoog en bij laag dat er geen commerciële seksuele dienstverlening in zijn bedrijf plaatsvond. Hij verwees ons door naar de enige plek in de stad waar jongens legaal werken, een plek die we al kenden. Overigens werken we nu regelmatig met mannelijke veldwerkers. Wat de arbeidsrelaties betreft, hebben jongens dezelfde problemen als vrouwen. Ze hebben echter weinig ervaring met controles van de belastingdienst. Als die komt, zeggen ze dat ze gewoon ‘toevallig’ op bezoek zijn.
Vooral in deze tak van prostitutie is het verloop groot. De laatste tijd trekken veel jongens uit Amsterdam weg omdat het ‘geen gay capital’ meer is. Veel jongens bevestigen wat al bekend was uit onderzoeken: ze zijn overwegend hetero.
De jongens geven te kennen “geen hoer te zijn”, maar “er wat bij te klussen” en de club is volgens hen “een chill out plek”. Ze zeggen geweldige klanten te hebben die wel €1000, op een avond uitgeven, maar in wekelijkheid lijken de inkomsten bij €110 per avond op te houden.
In een van de hoofdstedelijke clubs werken de jongens in loondienst, de eigenaar heeft ‘iets geregeld met de belasting om het voor hem en de jongens gemakkelijker te maken’ althans dat beweren de werknemers. Die contracten hebben we nooit gezien.
Van mannelijke leden van de vakbond vernemen we dat veel jongens via Internet klanten werven. Ze werken zeer zelfstandig en beweren dat veiligheid voor hen minder een probleem is dan voor vrouwelijke escorts.
Loopbaanverandering
In het verleden waren programma’s voor loopbaanverandering (of stoppersprogramma’s) vaak sterk gericht op ‘het redden van vrouwen’. Het meest sprekende voorbeeld is de Vereniging ter Opbeuring van Boetvaardige en Gevallen Vrouwen uit de negentiende eeuw. Nog steeds vallen de termen ‘resocialisatie’ en ‘rehabilitatie’ in stoppersprogramma’s. Een dergelijke terminologie past misschien bij het gevangeniswezen of bij tbs-klanten, maar niet bij een beroepsgroep. Ieder project met als doelstelling resocialisatie of rehabilitatie is stigmatiserend. Prostituees zijn net als andere beroepsbeoefenaren gewoon lid van de maatschappij.
Gemiddeld werkt een vrouw zo’n vijftien jaar als prostituee, een jongensprostituee werkt korter. Maar er zijn geen goede uitstapregelingen. In alle beroepen maken carrièreverandering, promotiekansen, bijscholing, omscholing en uittreedregelingen deel uit van de arbeidsvoorwaarden. Maar prostituees zijn daarvoor aangewezen op stoppersprogramma’s van hulpverleners. Meestal gaat men er van uit dat uittredende prostituees radicaal stoppen en al hun contacten met het wereldje verbreken. Hun arbeidsverleden in de prostitutie zou alleen maar nadelen en geen voordelen hebben opgeleverd. Zo zouden ze in een ritme hebben geleefd dat ze snel moeten afleren. Een sollicitatiecursus waarin ze vooral moesten leren op tijd op te staan, behoorde tot de vaste onderdelen van zo’n stoppersprogramma. Dit doet sterk denken aan bepaalde trainingen in de Verenigde Staten waar men prostitutie als een verslaving of een ziekte ziet, waarvan men moet ‘afkicken’. Dit naar analogie met klantengedrag dat daar ook als ‘een verslavingsprobleem’ wordt gezien.
Uit onze contacten met prostituees blijkt dat zij zelden van de ene op de dag stoppen met hun werk.
Men gaat bijvoorbeeld parttime werken en oriënteert zich intussen op de nieuwe situatie. Een radicale breuk met het prostitutiemilieu als vast onderdeel van ‘stoppersprogramma’s is derhalve niet realistisch.
Net zo min als aan vutters en andere uittreders wordt gevraagd om volledig te breken met oud-collega’s en het beroep, moet men dat van prostituees vragen. Daartoe benadrukt De Rode Draad dat een soepele overgang naar een tweede beroepscarrière meestal gepaard gaat met mogelijkheden tot parttime werken. Tot eind jaren tachtig werd onder een volledige werkweek in de prostitutie twaalf uur werken per dag gedurende zes dagen per week verstaan maar tegenwoordig wordt parttime werken vaker normaal gevonden. Daartoe hebben prostituees ook alle recht.
Het is problematisch om tijdelijk een overbruggende uitkering te krijgen voor de dagen dat men niet meer in de prostitutie werkt en nog geen ander werk heeft. Prostituees kunnen immers niet aantonen dat ze ‘ontslagen’ zijn of niet meer in staat zijn voltijds te werken. Ook lopen veel prostituees tegen het vooroordeel op dat ze geacht worden financiële reserves te hebben, wat in de regel niet het geval is.
Dwingen tot voltijds-prostitutie is ook dwang tot prostitutie en CWI’s (Centrum voor Werk en Inkomen, de vroegere arbeidsbureaus) en Sociale Diensten mogen dat niet. Een sekswerker bepaalt immers net als iedere andere burger zelf hoeveel tijd zij aan seksuele contacten besteedt.
Minister Korthals heeft tijdens de behandeling van het wetsvoorstel dit standpunt verwoord in zijn opmerking dat prostitutie nooit passende arbeid kan zijn. Kennelijk is dit heel moeilijk te bevatten, nog steeds menen sommigen dat CWI’s en Sociale Diensten mensen kunnen verplichten in de prostitutie te gaan werken. Maar dat kan niet. Wel geldt een sollicitatieplicht voor alle andere vormen van passende arbeid, anders dan prostitutie
Bij ‘ontslag’ uit een situatie die in feite loondienst is, kunnen prostituees een uitkering bij het uitvoeringsorgaan sociale zekerheid aanvragen. Het UWV behandelt naar ons weten deze aanvragen welwillend maar de problemen ontstaan wanneer ex- prostituees zich bij het CWI gaan inschrijven. Ze zijn bang dat hun beroepsverleden via de kaartenbakken in de openbaarheid komt. En ze vrezen ook een negatieve bejegening door die instelling. Maar prostituees hebben in hun oude beroep vaardigheden opgedaan die ze in een nieuwe werksituatie kunnen gebruiken: stressbestendigheid, klantgerichtheid en crisisbeheersing. Dank zij een internationaal project van de Europese Commissie is onder Nederlandse, Italiaanse en Duitse prostituees hiernaar onderzoek gedaan. Ook is er tevens een training ontwikkeld waarin de capaciteiten van de vrouwen naar voren kwamen. Dit kan als uitgangspunt dienen voor verdere beroepsoriëntatie buiten de prostitutie.
De laatste tijd signaleren we een nieuw probleem. Veel vrouwen worden gedwongen tot zelfstandig ondernemerschap en moeten zelfs mede-eigenaar van een bedrijf worden of een BV oprichten. Dit komt voort uit pogingen van exploitanten loondienst te vermijden. Vooral de vrouwen die een BV oprichten worden geacht 18.000 euro te hebben geïnvesteerd waarvoor ze zich waarschijnlijk in de schulden hebben gestoken. (zie onder BV constructie) Bij aanvraag van een uitkering bij sociale diensten kan men van haar eisen dat ze eerst het geld opmaakt dat ze in de BV heeft gestopt. De meeste praktische problemen die uittredende prostituees tegenkomen liggen op het vak van de privacybewaking en stigma. De angst dat toekomstige werkgevers erachter komen een ex-prostituee in dienst te hebben, is niet ongegrond. Wij hebben regelmatig gehoord dat er dan moeilijkheden ontstaan die soms zelfs ontslag tot gevolg hebben. Daarnaast leven velen in de angst voormalige klanten tegen te komen.
Ook horen we dat ex-prostituees zelden met mensen in hun omgeving kunnen praten over de leuke en nare ervaringen in hun prostitutieverleden.
Een bijzondere groep van uittreders zijn de slachtoffers van mensenhandel die in de zogeheten B9 regeling terecht zijn gekomen. Deze regeling houdt in dat vrouwen – en mannen – die aangifte van mensenhandel hebben gedaan, als getuige voor de duur van de rechtszaak een tijdelijke verblijfsvergunning krijgen. Zij mogen niet werken, maar minister Verdonk heeft beloofd dat verbod op te heffen voor ander werk dan prostitutie.
Een tweede bijzondere groep vormen de prostituees met een zwaar psychisch en/of verslavingsprobleem. Het succesvol laten uittreden van deze prostituees vereist de betrokkenheid van specifieke deskundigen op het gebied van verslavingszorg en/of psychiatrie.
Ten derde zijn er oudere migranten prostituees die ooit getolereerd werden en nu op grond van bijvoorbeeld een huwelijk een legale status hebben. Velen onder hen leven in een isolement, zijn gescheiden van hun Nederlandse partner, beheersen de Nederlandse taal amper en wonen nog op de werkplek. (Zie ook onder huisvesting)
Velen onder hen zouden graag minder willen werken of willen stoppen, maar kunnen dat niet, omdat hun gezin in de landen van herkomst afhankelijk van hen zijn en omdat ze geen andere perspectieven hebben.
Tot slot merken wij dat veel prostituees tegen hun zin moeten stoppen. Dit speelt bijvoorbeeld bij sekswerkers zonder werkvergunning: zij worden domweg uitgewezen of om prostituees die hun werk kwijtraken omdat de exploitant de deuren na controles van Belastingdienst/UWV definitief sluit. Deze prostituees raken tijdelijk werkloos.
Wij maken onderscheid tussen carrièreverandering binnen en buiten de prostitutie. De Rode Draad krijgt vaker vragen van prostituees die zelfstandig willen werken bijvoorbeeld vanuit hun eigen huis dan van prostituees die willen stoppen. Zij zijn de afdrachten in de escort, clubs en privé-huizen zat maar willen het vak (nog) niet verlaten. Zij onderzoeken bijvoorbeeld de mogelijkheden van het thuiswerken of het opzetten van een bedrijfje met een collega. Een dergelijk streven stuit overigens op het vergunningenbeleid van de meeste gemeenten die geen of nauwelijks vergunningen beschikbaar houden voor nieuwe bedrijven.
Carrièreverandering kan ook betekenen dat men op een andere manier gaat werken. Sommige prostituees zoeken een nieuwe specialisatie zoals sadomasochisme of massagetechnieken.
Loverboys
Tegenwoordig is er veel aandacht voor een nieuwe verschijningsvorm van de klassieke pooier: de loverboy. Hij zou van allochtone, vooral van Marokkaanse afkomst zijn. Weliswaar zijn er enkele Marokkaanse criminelen actief in de prostitutiewereld, maar de term loverboy is volstrekt ongepast en criminaliseert alle ‘jonge minnaars’, wat loverboys letterlijk betekent. Bovendien is de term loverboy geënt op de veronderstelde belevingswereld van het meisje en is daarom niet objectief. Met andere woorden, hij heet loverboy omdat het slachtoffer hem als zodanig ziet en niet omdat hij een minnaar is. Het is beter deze lieden gewoon criminelen te noemen die zich schuldig maken aan dwang tot prostitutie, dus aan afpersing, seksueel geweld en mensenhandel.
De loverboymethode is zo oud als de beschaving. De Byzantijnse keizer Justinianus (527-565) vaardigde al een decreet uit tegen mannen die meisjes verleidden met valse contracten en ze een beter leven beloofden. De loverboymethode is een van de meest klassieke methodes van mensenhandelaren om greep te krijgen op potentiële slachtoffers. Dat er iets tegen die loverboys – of liever criminelen – moet worden gedaan, spreekt vanzelf. Maar het is niet de bedoeling om dat op een manier te doen die anti-emancipatorisch en zelfs stigmatiserend is. Die tendens komt bijvoorbeeld naar voren in het begrip risicomeisjes. Dat zijn meisjes of jonge vrouwen die niet in de prostitutie zitten, maar zo kwetsbaar zijn, dat ze gevaar lopen. En hoe zou men die herkennen: jawel, ‘ze gebruiken teveel make-up en vragen om aandacht’.
Bij andere slachtoffers van misdrijven zou men het zelfs niet durven de kwetsbaarheid te benadrukken. Toch valt in een scriptie over loverboys te lezen die veel publiciteit kreeg dat (Bunshoek en Hesselink) dat ‘de meisjes uit een bepaald sociaal milieu komen. Ze zijn heel jong, hebben een rotjeugd gehad, kregen weinig liefde van de ouders, werden vaak mishandeld en misbruikt of hadden een pijnlijk sterfgeval meegemaakt. Ze volgen lager onderwijs en worden gepest op school. Ze kunnen al met al geen normale relaties aangaan.’
Ook hun ouders en omgeving worden dus gestigmatiseerd. Soms bellen moeders met de vraag hoe ze hun dochter kunnen helpen en veilig onder kunnen brengen. Zij willen oprecht wat doen, maar zien zich geconfronteerd met een soms internationaal opererend netwerk. En moeten deze heel betrokken ouders de schuld krijgen?
We kennen enkele vrouwen die zich aan een loverboy hebben ontworsteld, maar die niet kwetsbaar, laaggeschoold en anderszins sociaal gemankeerd zijn. Wanneer een (vermoedelijk) slachtoffer van een loverboy zich bij De Rode Draad meldt, wordt getracht met haar een gesprek aan te gaan. Wij herkennen zo’n geval wanneer een vrouw bijvoorbeeld graag wil weten hoe zij het meest voor haar vriendje kan verdienen.
Massagesalon
‘Wat een eng woord: ‘prostitutie’, wij zijn masseuses’ is een veel gehoorde reactie wanneer we aan de deur van een erotische massagesalon rammelen. Het is volstrekt onduidelijk wat er van de medewerkers van die bedrijven wordt verwacht. Kan een exploitant van een vrouw die zich meldt enige proeve van bekwaamheid op het gebied van massage veronderstellen? Deze salons ontkennen over het algemeen onder de prostitutiebedrijven te vallen. Dat is onjuist. Krachtens een uitspraak van de rechter in Maastricht in 1998 is er sprake van een seksbedrijf wanneer er seksuele handelingen tegen betaling worden verricht.
Veel massagesalons dragen een naam die naar Thailand verwijst. Daar zijn er veel van te vinden in bijvoorbeeld Rotterdam. Incidenteel kunnen we met een Thaise veldwerker deze bedrijven bezoeken.
In dat geval treffen we veelal oudere Thaise vrouwen aan die nauwelijks Nederlands spreken. Ze zitten in alle treurigheid te wachten op klanten die hooguit 20 euro betalen. In enkele van deze bedrijven is in Rotterdam loondienst opgelegd. Dit betekent dat ze oproepcontracten hebben waarbij ze – in tegenstelling tot het wettelijk vereiste minimum van drie uren- slechts één uur uitbetaald krijgen. Ze zijn zodanig verkleefd geraakt met de (Thaise) bazin dat ze hun rechten niet op willen eisen om haar niet verder in de problemen te brengen. Hierin valt een restant van patronagepatronen te ontdekken die door diverse onderzoekers in Thailand zijn geconstateerd: een ongelijke relatie waarin een baas diensten ter beschikking stelt in ruil voor politieke of andere invloed. Dat houdt in dit geval in dat het werknemerschap ook verplichtingen naar de baas toe in de privé-sfeer schept.
Migranten
Het normaliseren van de seksindustrie zou ten koste zijn gegaan van illegalen; zij werden niet meer gedoogd en zouden daardoor in duistere circuits zijn terechtgekomen. Men suggereert een tegenstelling tussen de belangen van legale en illegale prostituees. Het verhaal dat ‘sinds de legalisering de positie van migranten in de prostitutie in Nederland is verslechterd’, komt van organisaties die zich uitsluitend bezighouden met migranten en niet met de hele beroepsgroep. Licht vergeet men dat de positie van migranten voor de legalisering, toen ze nog getolereerd werden al slecht was. Soms maakt men zelfs van migrant zijn het wezenskenmerk van een grote groep prostituees. Daardoor zijn er halverwege de jaren tachtig organisaties ontstaan die zich uitsluitend op migrantenprostituees richten. Zij stellen de mobiliteit als kenmerk van de beroepsgroep gelijk aan migratie. Ook dat is een gelijkschakeling van twee begrippen die voor andere beroepsgroepen nooit in het vizier komt. Handelsreizigers bijvoorbeeld zijn per definitie mobiel, maar hun mobiliteit wordt nooit gedefinieerd als migratie.
Die verzelfstandiging van de discussie over illegalen was overigens een verschijnsel dat zich alleen in de prostitutiewereld voordeed. In geen enkel ander beroep heeft men speciale organisaties en hulpverleningsinstellingen voor migranten in de beroepsgroep. Maar enkele radicale woordvoerders van deze organisaties pleitten zelfs voor een uitzonderingspositie voor migranten in de seksindustrie door alle grenzen voor hen open te stellen. Men verkeert in de naïeve veronderstelling dat de uitbuiting van migranten ophoudt zodra ze de mogelijkheid krijgen overal ter wereld als prostituee te werken. De ervaringen met migranten die wel legaal werken maar afhankelijk zijn van derden voor vertalingen, het regelen van papieren en huisvesting, logenstraffen dit optimisme. Het is niet verstandig om voor migranten een zodanige uitzonderingspositie te creëren dat ze alleen maar in de prostitutie aan het werk kunnen. Zij komen in grote problemen als ze uit willen stappen. Daarnaast gaat men voorbij aan het feit dat het om een beroep gaat met communiceerbare beroepscodes, eisen op het gebied van financieel management en vakkennis. Prostitutie is geen levenswijze maar een beroep, wat betekent dat men kwesties als onderbetaling en geringe verdiensten niet kan bagatelliseren.
Men ontkent zo ook dat het een economische bedrijfstak is met een eigen dynamiek en marktmechanisme. Het prijspeil in bijvoorbeeld Nederland duidt niet op een grote markt voor prostitutie of een groot tekort aan prostituees. Een politieke discussie over verruiming van de mogelijkheden tot arbeidsmigratie moet gaan over alle beroepen en niet alleen over prostitutie.
Hun armoede in het land van herkomst wordt beschreven als een persoonlijk probleem, maar nooit als een structureel feit. De keuze voor prostitutie als middel om die armoede op te heffen wordt geadstrueerd met vele persoonlijke geschiedenissen van migranten. Voor de persoonlijke achtergronden van migranten in andere beroepen heeft men aanzienlijk minder belangstelling.
Zoals men bij Nederlandse vrouwen een psychologisme hanteert, heeft men bij buitenlandse vrouwen de neiging een antropologisme in stelling te brengen, met andere woorden ze uitsluitend te zien als een individueel product van armoede en familieverhoudingen in het land van herkomst. Antropologisme en psychologisme hebben met elkaar gemeen dat het individu als slachtoffer centraal staat en structurele factoren worden verwaarloosd. Hierin speelt het idee van ‘de goede hoer’ een grote rol. Zij is de moeder die legaal werkt, zich aan de regels houdt, de vrouw die door omstandigheden, vooral doordat een partner haar met een paar kinderen heeft laten zitten, moet overleven. Dit verhaal kwamen we ook tegen tijdens veldwerk. Zuid-Amerikaanse begrepen niet waarom ze niet mochten werken. Ze deden immers niets anders dan voor hun gezin ‘daar’ zorgen en haalden geen criminele pooiers naar Nederland wat hun Oost-Europese collega’s volgens hen wel deden.
Soms doen klanten mee aan de waardering van ‘de goede prostituee’. Zo vraagt een klant op de website voor prostitueebezoekers om respect voor een vrouw die hard werkt en nu eindelijk een tijdje naar haar land teruggaat om haar kinderen weer te zien.
Ook sommige exploitanten doen een duit in het zakje. Een verhuurder uit Arnhem beweerde in een lokale krant voornamelijk aan Dominicaansen te willen verhuren omdat zij niet voor drugs of pooiers, maar voor hun familie en kinderen werkten.
In deze hele gang van zaken valt een gender bias, dat wil zeggen een redenering vanuit traditionele vrouwbeelden te ontdekken. Mannelijke prostituees worden – hoewel ze zelden homoseksueel zijn – nooit beschreven als huisvaders die voor hun kinderen en oude moeder moeten zorgen.
Tegenover de ‘goede moeder’ staat de ‘slechte prostituee’, de avonturierster, de prostituee die in openbare plaatsen werkt zoals in bars. Zij is wat vroeger de clandestiene prostituee werd genoemd. Zij wordt onveranderlijk als een gevaar voor de volksgezondheid en de openbare orde beschreven. Vooral als deze vrouwen als groep worden beschouwd, heeft men de neiging het individu als slachtoffer te vergeten en ze als criminelen het land uit te zetten. Dit gebeurde bijvoorbeeld bij de schoonveegacties op de tippelzone. Wanneer ze als individuen en slachtoffers met een eigen geschiedenis (van vrouwenhandel) worden opgevat, wil men ze onder toezicht stellen. Daaruit valt de handelwijze van de politie en hulpverleners te verklaren om deze vrouwen te tolereren op werkplekken die besloten en gemakkelijk te lokaliseren zijn. ‘Dan zijn ze nog bereikbaar voor de hulpverlening en de gezondheidszorg.’ In het verleden hanteerden sommige politiekorpsen dit argument in de hoop de vrouwen in de peiling te houden en ze op den duur tot een aangifte te bewegen.
Minderjarigen
Een enkele keer hebben onze veldwerkers het vermoeden dat in de niet vergunde, ofwel illegale vormen van prostitutie minderjarigen werken. In het legale circuit worden weinig of geen minderjarigen aangetroffen. Geen wonder, de exploitant die hen in zijn bedrijf laat werken, loopt het risico zijn vergunning te verliezen. Al met al is er veel te doen over minderjarigen in de prostitutie Zij zouden veelal 'in duistere circuits' verkeren, waarbij het niet duidelijk is of het prostitutie is of puur seksueel geweld, bijvoorbeeld misbruik in de vriendenkring. Maar prostitutie kan daaraan niet per definitie gelijk worden gesteld.
Onder dwang in de prostitutie terechtkomen is echter slechts één risico dat meisjes kunnen lopen. Ze kunnen ook slachtoffer worden van een gedwongen huwelijk of van huiselijk geweld. Zij krijgen alleen aandacht als ze in de prostitutie belanden, wat ze weer nodeloos stigmatiseert.
Onderzoekers constateren dat hulpverleners vrijwel onmiddellijk bij het aantreffen van een minderjarige prostituee de politie waarschuwen. Bij volwassen slachtoffers zou men het wel uit het hoofd laten dat tegen hun wil te doen. Meisjes van zestien en zeventien hebben daar kennelijk niets over te zeggen. Contact met de zedenpolitie, hoe slachtoffergericht die ook is, is op die leeftijd een heel ingrijpende ervaring.
Minderjarige prostituees worden bovendien opvallend vaak in gesloten inrichtingen 'opgevangen'. Het risico is dat ze dan nog verder van huis raken.
Normaal Beroep
De Rode Draad heeft altijd te kampen gehad met de hardnekkige vooronderstelling van buitenstaanders dat zij er alleen is voor de‘glamourgirls’, de witwerkende zelfbewuste Nederlandse prostituees die het werk met plezier doen. Dit is onjuist. De Rode Draad werkt voor alle prostituees in Nederland. Bovendien legt zij geen bepaalde beleving van het vak op. Ze doet geen uitspraken of het werk per definitie leuk of niet leuk is. De Rode Draad streeft normalisering na, maar dat betreft de arbeidsomstandigheden. Zij beweert niet dat prostitutie ‘gewoon werk’ is, omdat dat simpelweg niet het geval is. Het is namelijk een vorm van werk waarin de lichamelijke en psychische integriteit in het geding kan zijn. Prostituees moeten op ieder moment tijdens het contact met klanten hun seksuele grenzen kunnen stellen en bewaken. Daarom is prostitutie niet een normaal beroep zoals ieder ander.
Oost-Europa
Naar schatting 3000 prostituees van het totaal van 25.000 in Nederland komen uit Oost-Europa. Zij zijn te vinden in de raamprostitutie, in de escort en op de tippelzone. Hoewel het sinds de opheffing van het bordeelverbod moeilijker is geworden om in legale bedrijven te werken, blijken ongedocumenteerde vrouwen er nog steeds terecht te kunnen. Exploitanten zien immers graag dat hun voorzieningen gevuld zijn.
Verschillende redenen verklaren de trek naar Nederland. Economisch gezien heeft de val van De Muur in het voormalige Oostblok voor veel mensen nog niet de beloofde welvaart bewerkstelligd. De levensstandaard is laag en de werkeloosheid is vooral onder vrouwen, hoog. Omdat ook passende uitkeringen ontbreken zijn vrouwen vaak afhankelijk van de inkomsten van hun familie of echtgenoot.
Ook in sociaal opzicht verkeren vrouwen in Oost Europa in een zeer moeilijke positie. Huiselijk geweld komt vaak voor en de rechten van de vrouw zijn nog lang niet gelijk aan die van de man. De prostituees onder hen kunnen het beroep niet legaal uitoefenen. Ze zijn vaak slachtoffer van mishandeling, verkrachting en uitbuiting.
Degenen die doelbewust voor prostitutie kiezen worden misleid door websites waar de situatie in Nederland aanzienlijk rooskleuriger wordt voorgesteld dan ze is. Soms krijgen ze via ‘arbeidsbureautjes’ en advertenties een baan aangeboden. Ook zijn voor hoge bedragen e-mail adressen voor werkplekken te koop.
Vervolgens wordt de vrouwen een enorme schuld aangepraat voor de zogenaamde kosten van de reis. Een bedrag van 2000 euro voor een enkele reis Sofia –Amsterdam is geen uitzondering. En dat in een land waar het maandinkomen gemiddeld 80 euro bedraagt.
Onderweg worden veel vrouwen, soms onder dreiging van of met gebruik van geweld, doorverhandeld. Eenmaal in Nederland kan hun worden voorgesteld de fictieve schuld met prostitutiewerk af te betalen.
Andere vrouwen worden pas na aankomst in Nederland afgeperst. Ze worden dan bijvoorbeeld geacht wekelijks een flink bedrag naar een tussenpersoon op een bepaalde ontmoetingsplaats te brengen.
Daarnaast valt het te bezien of ze zich vrijwillig schikken in bepaalde verhoudingen die exploitanten ze bieden. Nog steeds horen we sommige exploitanten vertellen dat Oost-Europese vrouwen minder problemen maken dan Nederlandse of andere legale vrouwen. Zo wist een exploitant ons te vertellen dat Oost-Europese vrouwen niet zeuren wanneer ze tijdens hun menstruatie door moeten werken. Ook komen migranten uit Oost-Europa (en Zuid-Amerika) nogal eens op werkplekken terecht waar men het niet zo nauw neemt met de vrije klantenkeuze. Zo weten we dat enkele vrouwen in een sauna te werk zijn gesteld waar ze klanten in het openbaar moeten bedienen. Iets dergelijks gebeurt ook in de zogeheten ‘open seksclubs’ waar vrouwen in de gezamenlijke ruimte alle aanwezige klanten moeten afwerken.
Maar niet alleen exploitanten worden rijker van de Oost Europese dames. Veel Oost-Europese vrouwen die in Nederland worden vaak gecontroleerd door criminelen die bijna voelbaar aanwezig zijn in de raam – en tippelgebieden. Dit hoeven niet altijd de ronselaars te zijn; vaak zijn dit losse netwerken van ‘pooiers’. Ook krijgen wij berichten dat deze lieden vrouwen volgen in het uitgaanscircuit en ze zelfs daar onder bedreigingen geld afhandig maken.
De meeste vrouwen uit de twee associatielanden (kandidaat EU landen) Bulgarije en Roemenië voldoen niet aan het zogeheten MVV (Machtiging Voorlopig Verblijf) vereiste: dat wil zeggen dat ze niet in hun eigen land bij de Nederlandse ambassade dit document hebben aangevraagd en daar afgewacht. Dit betekent dat degenen die dat niet doen in feite illegaal in Nederland werken. De Belastingdienst geeft geen sofi-nummers af en er zijn geen betrouwbare dienstverleners te vinden die de vrouwen willen helpen. Overigens weten de meeste vrouwen uit de twee associatielanden meestal niet dat ze illegaal zijn. Zij verkeren in de waan legaal te werken mits zij een procedure hebben lopen bij een (dure) advocaat.
Vrouwen blijken vaak slecht op de hoogte van de sociale kaart en hun rechten en plichten in Nederland. De informatie die zij krijgen is veelal van exploitanten of pooiers en is niet betrouwbaar. Informatie over het huidige prijspeil en de reële verdiensten is ook van groot belang. (Zie ook onder Quiz)
Organisatiegraad
De bereidheid tot aansluiting bij Vakwerk wordt belemmerd door de anonimiteitwens; bij die van de ondernemers doordat men gratis voorlichting verwacht en niet wil betalen. (Met dank aan het Woordenboek van de VER)
Niet alleen de anonimiteitwens is een hindernis voor prostituees om de vakbond in te schakelen.
Exploitanten proberen de vrouwen er vaak van te overtuigen dat loondienst en het moeten betalen van sociale lasten het einde van het bedrijf betekent. Ze moeten controlerende instanties voorspiegelen dat ze zelfstandige ondernemers zijn. Wanneer dit niet lukt, worden prostituees soms overgehaald mee te betalen aan – overigens meestal bij voorbaat- verloren beroepsprocedures.
Vrouwen met klachten over hun werksituatie worden doorgestuurd naar Vakwerk die eerst het aanbod doet om de vrouwen anoniem met instanties in contact te brengen. Dit speelt bijvoorbeeld als een vrouw die op papier zelfstandige ondernemer is, op staande voet wordt ontslagen. Als zij kan aantonen dat ze in feite in een loondienstsituatie werkte, heeft ze recht op een uitkering. Zover komt het in de regel niet. De vrouwen trekken zich terug omdat ze bang zijn dat als ze hun klacht aanhangig maken, ze de werkgelegenheid van hun collega’s in gevaar brengen. Dit soort problemen speelt niet wanneer bijvoorbeeld een medewerker van een supermarkt zich tot een vakbond wendt.
Percentagesysteem
Bijna overal ter wereld moeten prostituees minimaal vijftig procent van hun inkomsten afgeven. Dit is het zogeheten percentagesysteem. Dat dit universeel voorkomt is niet toevallig, het is een uitstekende manier om prostituees onder controle te houden. Ook in Nederland is in verreweg de meeste privé-huizen en clubs deze percentageregeling van kracht. De helft maar vaak veel meer, gaat naar de exploitant. In één gerenommeerde club met een hoge omzet, krijgt de prostituee slechts dertig procent.
Wantoestanden op de werkvloer en het gebrekkige recht om klanten en diensten te weigeren, hebben te maken met het percentagesysteem. De exploitant heeft er daardoor belang bij dat een prostituee veel klanten neemt die dure dienstverlening willen. Dit kan op gespannen voet staan met de grondrechten van de prostituee. Percentageregelingen komen weliswaar ook in andere vormen van bedrijvigheid voor, maar het systeem is kwestieus in beroepen waarbij de integriteit van het lichaam op het spel staat. Dat geldt trouwens ook voor percentages op alcoholconsumptie.
Veel exploitanten beseffen onderhand dat wanneer ze het percentagesysteem hanteren, ze in de gevarenzone van de gezagsrelatie komen. Ook al is het in veel in clubs en privé-huizen officieel afgeschaft, we horen nog vaak dat prostituees de helft van hun inkomsten inclusief de fooien moeten afstaan. Dus, behalve de kamerhuur die wel keurig wordt geboekt, moeten ze ‘zwart’ nog de helft van wat de klant hun betaalt aan ‘de baas’ geven. Wanneer vrouwen daarover bellen, raden we ze aan deze zwarte betalingen toch als kosten op te voeren.
Politie
Waar in de wereld zie je dat politiemensen op hun deelnemersbadge van een congres het logo van De Rode Draad voeren en dat vrouwen van De Rode Draad op een politiecongres rondlopen met zo’n badge met het politielogo? En waar maakt een (ex) wijkagent met een (ex) prostituee een CD met de carnavalskraker:”Joep veeg die toerist van mijn stoep?” Dat kan alleen in Nederland.
De Rode Draad is geen verlengstuk van de politie omdat ze daarmee haar vertrouwenspositie zou verliezen. Wanneer De Rode Draad direct misstanden bij de politie zou melden, dan loopt ze het gevaar als getuige bij een uit de melding resulterende strafzaak te worden opgeroepen. Dit is echter een oplosbaar probleem. In de toekomst zou dit kunnen worden ondervangen door een samenwerkingsverband met Meld Misdaad Anoniem. Dit geldt ook voor melding van minderjarigen.
Wel wordt wel eens met individuele politiefunctionarissen gesteggeld over de toepassing van de identificatieplicht. We krijgen wel eens klachten over registratie en het niet toekennen van de bedenktijd van drie maanden ten behoeve van slachtoffers van mensenhandel. Vermoedelijke slachtoffers mogen namelijk drie maanden nadenken of ze aangifte willen doen.
Pooiers
Tot enkele decennia geleden hadden veel prostituees een 'bikker', een partner die toezicht hield en allerlei hand- en spandiensten voor hen verrichtte. Een pooier die meerdere vrouwen voor hem had werken, zoals in Amerikaanse films, kwam in Nederland echter nauwelijks voor. Als gevolg van de emancipatie stelden prostituees zich later net als 'andere vrouwen’, steeds onafhankelijker van beschermende mannen op. In Nederland hebben prostituees die ook niet nodig om de politie te ontlopen, werkplekken te vinden en gewelddadige klanten af te straffen. Werken als prostituee is hier immers niet verboden.
Prostituees vormen de enige beroepsgroep waarbij de man als afgeleide van de vrouw wordt gezien. In andere beroepen is de vrouw naar het beroep van de man vernoemd en heet ze doktersvrouw, domineesvrouw of first lady.
De partner van een prostituee wordt in denigrerende termen beschreven. Hij is lui, afkerig van werk, kleedt zich ordinair en vertoont opzichtig consumentengedrag. Dit zijn dezelfde vooroordelen die ten aanzien van de prostituee leven. Daarmee worden de sociale relaties van de vrouwelijke prostituee gestigmatiseerd. Deze maatschappelijke veroordeling was in het verleden in de Nederlandse wetgeving vastgelegd. Pooiers werden in Nederland tot de jaren zestig in de vorige eeuw met landlopers in een rijksinrichting opgesloten. In sommige landen zijn familie en partners nog steeds strafbaar als ze van de inkomsten van prostituees profiteren. Deze wet is bedoeld als bescherming van prostituees, maar in de praktijk keert het zich tegen hen. Het bemoeilijkt namelijk hun relaties met anderen. Uit Engeland komen bijvoorbeeld verhalen over ouders en kinderen die geen cadeautjes, zelfs niet een kop thee van een prostituee mochten aannemen op gevaar af van pooiergedrag beschuldigd te worden.
Een meewerkende partner die zakelijke adviezen geeft, iets dat bij andere kleine bedrijven normaal en geaccepteerd is, kan bij prostitutie op problemen stuiten. Als hij haar bijvoorbeeld stimuleert om voor een hoge omzet onder slechte omstandigheden te werken of veel uren te maken, is er al dwang in het spel. Dit maakt de grens tussen samenwerking en zachte dwang tot prostitutie vaag.
Na de wetswijziging is het in Nederland alleen strafbaar om door middel van dwang en geweld inkomsten van prostituees te betrekken. Overigens doen prostituees die (seksueel) mishandeld worden, net als hun lotgenoten die niet in de prostitutie zitten, zelden aangifte tegen hun partner. Dat doen ze meestal pas wanneer de relatie is beëindigd. Het betekent immers een breuk met degene die de vrouw het meest nabij staat.
Afgezien van die extreme gevallen hebben prostituees in andere opzichten vaak relatieproblemen. Dit heeft alles te maken met de precaire scheidslijn tussen commercie en intimiteit, die in de prostitutie, meer dan in andere beroepen, gerespecteerd moet worden. Velen achten hun werk zelfs onverenigbaar met een vaste relatie. Een prostituee formuleerde dit dilemma als volgt: ‘Als hij het goed zou vinden dat ik in de prostitutie werk, dan zie ik hem als pooier, als hij het niet goed zou vinden, dan ben ik mijn inkomsten en financiële onafhankelijkheid kwijt’. Derhalve kiezen sommigen voor geheimhouding voor de eigen partner of voor een vrijgezellenbestaan.
Privacy en registratieplicht
Tegelijk met de legalisering van prostitutiebedrijven is er een identificatieplicht ingevoerd voor prostituees die zelfstandige ondernemers zijn. Andere ondernemers hebben die plicht niet. Werknemers, of ze nu wel of niet in de prostitutie werken, moeten altijd een kopie van hun identititeitsbewijs afgeven.
De politie of gemeentelijke controleurs mogen alle prostituees vragen om hun papieren te tonen. Maar in Nederland kennen we (nog) geen draagplicht van identiteitsbewijzen. Zoals veel andere burgers laten prostituees hun papieren meestal uit veiligheidsoverwegingen thuis. Zij moeten daarom altijd in de gelegenheid worden gesteld hun papieren op een later tijdstip te tonen. In veel gevallen zullen politiebeambten niet bereid zijn de sekswerkers naar hun woning of verblijfplaats te begeleiden. Deze vrouwen worden bijvoorbeeld de volgende dag op het bureau ontboden om hun paspoort te laten zien. Soms zullen prostituees daar niet aan kunnen voldoen. Soms zullen ze dit ook niet willen. In het laatste geval kunnen zij beschuldigd worden van het niet opvolgen van een dienstbevel. Sekswerkers verkeren in verwarring omtrent wanneer ze dit aangewreven kan worden.
Veel exploitanten beweren dat ze een kopie van de paspoorten van de prostituees die als zelfstandige ondernemer bij hen werken moeten bewaren omdat ze anders problemen met de politie krijgen, een argument dat geen enkele wettelijke basis heeft, maar wel veel onrust veroorzaakt. De identificatieplicht is bedoeld als maatregel tegen exploitanten die illegalen te werk stellen, maar treft zo vooral prostituees in hun privacy. Het zal ze nodeloos het gevoel geven dat zij en niet de exploitant gecriminaliseerd worden. Weliswaar wordt in andere horecagelegenheden wel eens om een identiteitsbewijs gevraagd, maar dan geldt dit voor alle aanwezigen en worden die acties niet uitgevoerd op grond van verdenking tot een beroepsgroep te behoren.
Er is nog een ander probleem in de uitvoering. De betreffende ambtenaren zullen precies moeten weten wie ze in een bedrijf wel en wie ze niet om een persoonsbewijs kunnen vragen. Zij moeten dus in staat zijn mannen en vrouwen als prostituee te herkennen op plaatsen waar dit onduidelijk is. Wij denken hierbij aan jongensclubs, parenclubs en andere plekken waar mensen samenkomen voor al of niet betaald erotisch vertier.
De dienstdoende controleur mag de gegevens niet opschrijven. Wij krijgen echter klachten dat dit wel gebeurt. Namen en adressen worden zonder opgaaf van reden opgeschreven.
De meest vreemde redenen worden gegeven zoals de wens om te controleren of de betreffende vrouw wel bij de gemeente waar ze werkt is ingeschreven. Een onzinnige exercitie, want veel prostituees werken om privacy redenen niet in de gemeente waar ze wonen. Ook is ons een keer toegevoegd dat men de aantekeningen pas vernietigt, ook al gaat het om een struise Nederlandse dame van een jaar of veertig, als duidelijk blijkt dat ze geen slachtoffer is van mensenhandel.
De wet bevat echter nog meer onduidelijkheden. Zo mag een agent adressen en dergelijke noteren als hij/zij dat in zijn beroepsuitoefening noodzakelijk acht. Dit kan worden uitgelegd als een verkapte herinvoering van de vermaledijde politieregistratie.
Reeds in 1997 heeft de Registratiekamer – de instelling die nu de naam College voor Bescherming Persoonsgegevens draagt – bepaald dat politieregistratie louter en alleen op het feit van het behoren tot een beroepsgroep niet is toegestaan. Politieregistratie van prostituees is alleen in individuele gevallen gerechtvaardigd:
- wanneer de prostituee wordt verdacht van een strafbaar feit
- en wanneer er een vermoeden van mensenhandel is.
Wat het laatste betreft: de politie heeft daarvoor een lijst van signalen opgesteld die in een bepaalde combinatie een vermoeden van mensenhandel rechtvaardigen. Dit is een weloverwogen lijst en als een vrouw hoog scoort dan is ze inderdaad waarschijnlijk een slachtoffer van mensenhandel. Dit leidt tot het zogeheten slachtoffervolgsysteem: de politieregistratie van vermoedelijke slachtoffers.
De privacy van prostituees wordt ook nog door anderen geschonden. In sommige bedrijven worden vrouwen die als zelfstandige ondernemer werken gedwongen hun privé-gegevens zoals huisadres en telefoonnummer achter te laten. Dit wordt soms misbruikt door de exploitant die dreigt onwetende familieleden op de hoogte te stellen van de aard van hun werk, wanneer zij zich aan zijn regime trachten te onttrekken. Wij krijgen ook klachten van prostituees die vinden dat ze op hookers.nl te herkenbaar worden beschreven.
Innovatie
‘Schichtig dwaalt ze langs de Wallen en de grachtjes
Met haar boodschappentas vol speelgoed en rookvlees
Schuw beantwoordt ze de zinnelijke lachjes
Van Chinese Arie en van Haagse Kees, ‘
Aldus bezingt Jasperina de Jong een denkbeeldige warme buurt waar mannen achter de ramen zitten. Een experiment in 1995 om mannen daadwerkelijk op de Wallen achter de ramen te zetten, mislukte. De exploitanten staken er namelijk een stokje voor, ze waren bang dat de échte klandizie weg zou blijven. Tegenwoordig zitten er wel mannen achter het raam, maar ze zijn als zodanig moeilijk herkenbaar, ze zien eruit als vrouwen. De politie vindt het zelfs nodig toeristen te waarschuwen dat de dame in kwestie onder haar kleding een heer kan zijn.
Sowieso valt er in de Nederlandse prostitutie een trend te bespeuren naar grotere diversiteit. SM-clubs houden vrouwenavonden en in veel clubs zijn stellen tegenwoordig ook welkom. En op Internet ziet men regelmatig dat een vrouw samen met haar partner ontvangt.
Het is een vooroordeel dat alleen mannen afnemers zijn van ‘erotisch’ vermaak. Dat idee stamt uit de tijd dat men veronderstelde dat mannen een natuurlijke behoefte hadden aan seks en dat vrouwen geacht werden monogaam te blijven.
Naast de markt voor homoseksuele mannen en vrouwen, is er een kleine groep mannen die voor hetero vrouwen werkt, de zogeheten gigolo's. Zij opereren niet in een georganiseerd verband en zijn voor zover bekend in hoge mate eigen baas. Naar verluidt bedienen zij een kleine, maar gestaag groeiende markt voor vooral carrièrevrouwen. Deze kunnen zich immers de hoge prijzen van escorts veroorloven. In andere werksoorten wilde het niet zo lukken. Een bordeel voor vrouwen dat in 1984 werd geopend, moest bij gebrek aan klandizie al snel de deuren sluiten. En dat binnenkort mannen 'in geblokte onderbroeken', zoals bezongen door Jasperina de Jong, achter de ramen plaats gaan nemen, is ook niet waarschijnlijk. Het zal in Nederland nog even duren voordat de markt van mannen voor hetero vrouwen net zo’n bloei meemaakt als in bijvoorbeeld Italië. Wanneer prostitutie voor vrouwen ter sprake komt, blijven de meningen hangen in clichématige benaderingen van vrouwelijke seksualiteit. ‘Vrouwen hoeven niet te betalen, die kunnen het gratis krijgen', is een weinig onderbouwde verklaring voor de geringe belangstelling voor deze vorm van prostitutie. Maar sommige vrouwen geven net als bepaalde mannen de voorkeur aan commerciële contacten, omdat daarmee het risico tot het minimum beperkt blijft dat er een relatie uit voortkomt.
Mogelijk hebben vrouwen nog wel heel andere redenen om mondjesmaat gebruik te maken van deze voorziening. Een veelgehoorde klacht luidt dat het huidige aanbod niet gevarieerd genoeg is.
Organisatiegraad
De bereidheid tot aansluiting bij Vakwerk wordt belemmerd door de anonimiteitwens; bij die van de ondernemers doordat men gratis voorlichting verwacht en niet wil betalen. (Met dank aan het Woordenboek van de VER)
Niet alleen de anonimiteitwens is een hindernis voor prostituees om de vakbond in te schakelen.
Exploitanten proberen de vrouwen er vaak van te overtuigen dat loondienst en het moeten betalen van sociale lasten het einde van het bedrijf betekent. Ze moeten controlerende instanties voorspiegelen dat ze zelfstandige ondernemers zijn. Wanneer dit niet lukt, worden prostituees soms overgehaald mee te betalen aan – overigens meestal bij voorbaat- verloren beroepsprocedures.
Vrouwen met klachten over hun werksituatie worden doorgestuurd naar Vakwerk die eerst het aanbod doet om de vrouwen anoniem met instanties in contact te brengen. Dit speelt bijvoorbeeld als een vrouw die op papier zelfstandige ondernemer is, op staande voet wordt ontslagen. Als zij kan aantonen dat ze in feite in een loondienstsituatie werkte, heeft ze recht op een uitkering. Zover komt het in de regel niet. De vrouwen trekken zich terug omdat ze bang zijn dat als ze hun klacht aanhangig maken, ze de werkgelegenheid van hun collega’s in gevaar brengen. Dit soort problemen speelt niet wanneer bijvoorbeeld een medewerker van een supermarkt zich tot een vakbond wendt.
Raamprostitutie
Drie vrouwen liggen op een tweepersoonsbed in een kleine kamer. Om het bed heen is weinig ruimte. Ze vertellen ons dat ze per persoon 100 euro per dagdeel moeten betalen voor deze werkruimte in een straat met raamprostitutie. Niet dat ze dat kunnen bewijzen, want bonnetjes van de huurprijs krijgen ze niet. Van de exploitant hebben ze alleen een nul zes nummer. Als pluspuntje voeren ze aan dat de ruimte regelmatig wordt schoongemaakt. Bij de buren is dat anders. Daar lopen de kakkerlakken over de muren.
Honderd euro is veel, maar elders is het net zo duur. De oorzaak daarvan is terug te voeren op de tijd dat prostitutiebedrijven nog niet legaal waren.
Veel raampanden zijn de afgelopen decennia voor prijzen ver boven de waarde verkocht. Daarin zat ‘goodwill’ verdisconteerd: een soort meerwaarde voor de naamsbekendheid van een bedrijf en de overname van vaste klanten. Overigens is dat ook gebruikelijk bij overname van horeca en winkels. Maar in de prostitutiewereld is het een beetje uit de hand gelopen. Een pand dat bijvoorbeeld anderhalve ton hoorde op te brengen, stond voor een aankoopprijs van bijna een miljoen gulden geboekt.
Die hoge prijzen worden in de huur doorberekend: 100 tot 200 euro voor zes uur in een hokje, waar de handdoeken soms zelfs nog ontbreken. Dat is even duur als een nacht in een behoorlijk hotel waar wel voldoende linnen is. Het ligt dan ook voor de hand de huren te vergelijken met prijzen in hotels met vergelijkbare faciliteiten.
Een bijkomend probleem is dat de ramen vaak voor zes of zelfs zeven dagen per week worden verhuurd. Door de hoge huren en de lage verdiensten zijn de vrouwen gedwongen om zeven dagen per week te werken. Exploitanten staan vaak niet toe dat vrouwen, ook als ze legaal en meerderjarig zijn, de ramen gezamenlijk huren. ‘Ze zijn vrij om ergens anders te gaan huren’, zo luidt het standaardverweer van raamexploitanten. Maar zo eenvoudig is dat niet. Het aantal ramen neemt de laatste tijd drastisch af, sinds 1999 al met 360. En in een club gaan werken is vaak geen optie, de afdrachten zijn te hoog en daar wordt een andere manier van omgaan met klanten verwacht.
Raamexploitanten beweren dat loondienst niet op hen van toepassing is, omdat ze zich in principe niet bemoeien met wat er zich binnenskamers afspeelt. In de woorden van een van hen: 'voor mijn part gaan ze daar zitten klaverjassen'. De praktijk is anders. Soms eist een raamexploitant bijvoorbeeld dat de meisjes een minimumbedrag van klanten vragen, een duidelijk geval van gezagsuitoefening. Dit is ook het geval wanneer er dwingend begintijden worden afgesproken.
Een enkele raamexploitant heeft ooit toegegeven dat hij er baat bij heeft als prostituees goedkoop werken. Klanten zouden dan meer kunnen besteden bij verschillende prostituees, die dan voor meerdere kamers huurpenningen in het laatje brengen.
Sommige raamexploitanten hebben vreemde ideeën over loondienst en zelfstandig ondernemerschap. Een van de exploitanten verdedigde het voor zeven dagen per week verhuren met het argument: ‘Ik mag die vrouwen geen dag vrij geven. Alleen in loondienst heb je recht op een of twee vrije dagen. Als ze niet voortdurend werken, zijn ze geen zelfstandige ondernemers.’
Regiokantoor
Een van de doelstellingen van de opheffing van het bordeelverbod was positieverbetering voor prostituees. Hier ligt een kans voor gemeenten. Helaas zijn maar weinig gemeenten genegen een actief beleid te voeren ter positieverbetering. Ze richten zich eenzijdig op het handhaven van de openbare orde. Maar het ondersteunen van het normaliseringproces kan wantoestanden voorkomen.
Door een goede informatievoorziening als bijdrage aan het regelen van arbeidsverhoudingen kan een gemeente frauduleuze situaties en illegaliteit binnen de perken houden. Dit soort informatievoorziening is slechts door weinig gemeenten ter hand genomen. Uit onderzoek blijkt dat – zo men al een poging heeft gedaan de branche te informeren over het gemeentebeleid – men heeft volstaan met een gesprek met exploitanten. Zij zijn echter niet de geëigende personen om prostituees op hun beurt in te lichten. Nu pas komen enkele gemeenten met plannen voor folders voor prostituees.
Hoewel een gemeente zich niet met civielrechtelijke zaken als arbeidscontracten en huurovereenkomsten kan bemoeien, kan ze wel stimuleren dat prostituees op hun rechten worden gewezen.
Een gemeente kan –eventueel in samenwerking met andere gemeenten een regiokantoor van De Rode Draad realiseren zoals Rotterdam heeft gedaan. (zie ook onder Rotterdam) Daar kunnen prostituees informatie krijgen over hun rechten en andere werkgerelateerde kwesties.
Op het eerste gezicht is het voor de hand liggend de GGD een grote rol te laten spelen in de informatievoorziening en andere aspecten van positieverbetering. Op het tweede gezicht is dat echter minder vanzelfsprekend: de GGD kan zich vanuit haar taakstelling niet bemoeien met de bedrijfsvoering van relaxbedrijven. Wanneer zij bijvoorbeeld de wensen van vrouwen om parttime te werken bij het management aankaart loopt zij het risico de deur gewezen te worden.
Dit geldt grosso modo ook voor hulpverleners. Zij kunnen bijvoorbeeld een verhandelde vrouw in problemen brengen door de bedrijfsleiding aan te spreken op bijvoorbeeld wantoestanden op de werkvloer. De Rode Draad doet geen opvang van slachtoffers en hoeft zich minder druk te maken over de toegang tot de club. Integendeel, een weigering kan een belangrijk signaal vormen dat er iets mis is.
Veel gemeenten zijn regionale samenwerking aangegaan op het gebied van prostitutiebeleid. De omliggende gemeenten van grote steden, richten zich met hun prostitutiebeleid op de grote stad. Zo kan een regiokantoor ook meerdere gemeenten tegelijk bedienen. Wanneer steden dicht bij elkaar liggen, zoals Den Haag en Leiden, dan kan men een gemeenschappelijke voorziening inrichten, eventueel bij een bestaande instelling.
Het is in veel regio’s voldoende om zo’n voorziening een dag per week open te stellen maar het moet wel met professionele werkers bemand worden. Het werken met vrijwilligers is niet goed voor de continuïteit. Bovendien is het werk zwaar en specialistisch. Men moet op de hoogte zijn van arbeidsrechtelijke problemen, op onverwachte situaties kunnen reageren en niet gefrustreerd raken wanneer na een barre tocht de toegang tot een bedrijf wordt geweigerd.
Religie en christelijke partijen
Het (ILO), International Labour Organization heeft in Azië onderzoek gedaan naar de effecten van sekswerk op het Bruto Nationaal Product. De onderzoekster nam een katholiek land (Filippijnen), een islamitisch land (Indonesië) en een boeddhistisch land (Thailand) onder de loep. Wat bleek? De religie had geen invloed op de omvang van en de vraag naar sekswerk.
De Rode Draad is in religieus opzicht neutraal. Maar met bepaalde religieuze organisaties en politieke partijen met een religieuze denominatie is er consensus dat dwang en uitbuiting in de prostitutie moet worden bestreden.
Rotterdam
In Rotterdam is het eerste steunpunt van De Rode Draad gevestigd. Dit project is ook door Schiedam ondersteund. Daar zijn slechts een paar clubs, maar zoals ze in Rotterdam zeggen: ‘alle kleine beetjes helpen, zei de muis en pieste in de Maas’.
Samantha (om privacyredenen is voor deze schuilnaam gekozen) is een van de vrouwen die wekelijks de Rotterdamse bedrijven bezocht. Desgevraagd vertelt ze: “De situatie op de werkvloer van Rotterdamse seksbedrijven vond ik over het algemeen slecht. De mensen maken een lome indruk, er worden geen of slechte afspraken gemaakt en ze hebben voortdurend met de willekeur van de exploitant te maken. We zijn ook weinig vrouwen tegengekomen met een legale baan ernaast. Prostituees die hun zaakjes voor elkaar hadden, moesten we met een lantaarntje zoeken. Maar in andere steden is dat niet anders.
Ik heb plekken gezien waar ik absoluut niet zou willen werken, ook privé-huizen. Daar hing zo’n bedompte sfeer. De vrouwen zaten er bedrukt bij. Soms zat er geen één vrouw, de volgende dag waren er weer zes. We hebben er niet naar gevraagd, maar we hadden niet de indruk dat ze de juiste papieren hadden.
In de clubs moeten ze te midden van die hoempapa-muziek de hele avond op klanten wachten. In een privé-huis kunnen ze tussen de klanten door nog iets voor zichzelf doen. En ze zitten er ook tamelijk beschermd.
In Rotterdam heb je geen speciaal gebied voor prostitutie: het is net als het uitgaansleven over de hele stad verspreid. Het is ook heel divers in vorm. We stuitten bijvoorbeeld op een privé-huis dat tevens meldpunt ongediertebestrijding voor de buurt was. Waar vind je zoiets nog? Of we kwamen ergens waar de exploitant een veelheid aan diensten leverde: hij verkocht Viagra , verhuurde Indiase pornofilms, organiseerde vrijgezellenparty’s, regelde escorts, verzorgde trouwpartijen en bemiddelde ook nog wat voor‘huisvrouwtjes die het lekker vinden’. Uiteindelijk is dit multi-bedrijf opgedoekt. Niet alleen vrouwen zonder documenten werken in dat zogeheten clandestiene circuit. Ook Nederlandse vrouwen doen dat.
Alleen raamprostitutie heb je hier niet. Wel zie je de opkomst van andere vormen van erotisch vermaak zoals seksbioscopen. Ook het animeercircuit is nogal uitgebreid. Het clandestiene circuit is gemakkelijker te vinden dan je denkt.
Die animeerbars kom je gewoon binnen door de deur. Maar daar kun je niet meteen met informatie over prostitutie aankomen. Deze tenten lijken in handen te zijn van Grieks/Spaanse exploitanten, er is ook een groep exploitanten die vooral met Thaise bedrijfsleiders werkt. In seksbioscoopjes zitten een paar Spaanstalige vrouwen. Soms denk je als je die exploitanten hoort, ‘man, wat lul je nou’ als ze bijvoorbeeld zeggen: ‘Er werken hier geen prostituees’ of: ‘mijn vrouw werkt hier en omdat ze mijn vrouw is kan ze niet gedwongen zijn. Een andere markante uitspraak kwam van een Surinaamse exploitant: ‘Ik wil niet racistisch zijn: maar Nederlanders willen alles steeds op papier hebben’.”
Sociale diensten
Sociale Diensten hebben in veel steden een heel verschillend beleid ten aanzien van prostituees. Dat blijkt wel uit een vergelijking van Rotterdam met Amsterdam. De prostituee die slechts enkele dagen in de prostitutie werkt, wordt door de Sociale Dienst in Amsterdam wel erkend als startende ondernemer met lage verdiensten en kan dus aanvullende bijstand verkrijgen, maar in Rotterdam niet. Onduidelijkheid alom. Maar het kan niet zo zijn dat een prostituee in Amsterdam wel recht op bijstand heeft en een prostituee uit Rotterdam die in dezelfde omstandigheden verkeert, dat niet heeft. Toch is dat precies wat er –overigens ook in vergelijking met andere steden - aan de hand is.
Het voorbeeld van Rotterdam is illustratief voor andere gemeenten. De Rotterdamse Sociale Dienst gaat er, in navolging van De Raad van Beroep, van uit dat ‘wie als prostituee of exploitant werkzaam in de prostitutie is, in beginsel geacht wordt over voldoende middelen van bestaan te beschikken om zelf in haar of zijn levensonderhoud en dat van haar/zijn gezin te voorzien’. Dit staat te lezen in de notitie Prostitutie en Bijstand, een juridische paradox, een oud document, maar exemplarisch voor de vooroordelen over verdiensten van prostituees. Ondanks de vele brieven van De Rode Draad naar sociale diensten en raadscommissies is deze notitie – die dateert van voor de wetswijziging nog niet bijgesteld.
Dit document stelt de financiële situatie van de prostituee gelijk aan die van de exploitant. Tevens vindt men dat prostituees net als exploitanten, per definitie voltijds werken. Dat is op zijn zachtst gezegd niet realistisch. Bovendien is het voor exploitanten heel anders om fulltime in de prostitutie te werken dan voor prostituees. Daarnaast meent de Sociale Dienst van de gemeente Rotterdam dat aanvullende bijstand aan zelfstandige prostituees geweigerd moet worden, omdat het concurrentievervalsing in de hand zou werken. Men zou de prijs per klant verlagen vanwege de aanvullende ondersteuning vanuit de Algemene Bijstandswet. Dit mist iedere grond en komt heel onlogisch voor. Deze onduidelijkheid op het gebied van recht op bijstand staat stoppen of carrièreverandering binnen of buiten de prostitutie in de weg. (zie ook Loopbaanverandering)
Stigma
Prostituees worden al eeuwenlang gestigmatiseerd. Dat uit zich door ze als groep als een openbare orde- en gezondheidsprobleem te zien en ze op individueel niveau tot slachtoffers te bestempelen. Dit heeft ertoe geleid dat de prostitutiewereld is gemarginaliseerd en dat prostituees in de loop der eeuwen tot aparte persoonlijkheden zijn gemaakt met een eigen psychische make-up, tot vrouwen die min of meer voor het slachtofferschap geboren zijn.
Identificatie van gedrag met persoonlijkheid is een belangrijk kenmerk van stigmatisering. Dus eens een hoer, altijd een hoer. Anders gezegd, prostituees hebben een verleden, anderen hebben een curriculum vitae.
Het stigma straalt op allen af die met hen te maken hebben. Hun partner wordt pooier genoemd en hun kinderen:‘hoerenzonen’ dat in veel talen een scheldwoord is.
Het stigma is moeilijk te bestrijden. Maar er is één ding erger dan stigmatisering mét rechten en dat is stigmatisering zónder rechten.
Thuiswerk
De gemeenten hebben geen uniform beleid ten aanzien van thuiswerksters – sekswerkers die hun klanten thuis ontvangen. In veel gemeenten zijn zij verplicht een vergunning aan te vragen als ze adverteren. Dit betekent dat ze aan allerlei eisen moeten voldoen, die vaak een gehele verbouwing impliceren en nogal wat investeringen vergen. In verband met de hoge kosten is dat voor veel ex-prostituees niet haalbaar. Bovendien hebben de meeste gemeenten het aantal beschikbare vergunningen bevroren ten gunste van bestaande gevestigde bedrijven. In andere steden is dit weer vrijgelaten. Waar het wel is toegestaan mag een sekswerker er geen collega bij laten werken, waardoor de onveiligheid toeneemt. Wanneer ze dat wel doet wordt haar huis als een ‘bordeel’ aangemerkt en moet ze alsnog een vergunning aanvragen. Wij constateren dat een aantal vrouwen dat tot voor kort zelfstandig thuis werkte, moet stoppen of noodgedwongen in een club moet gaan werken. Dit ‘thuiswerk’ kan een (tijdelijke) oplossing zijn voor enkele vrouwen die in het club- en privé-huizen circuit na klachten over de arbeidsrelaties en verdiensten ontslagen zijn.
Transseksuelen, transgenders en travestieten.
Men denkt dat het verschijnen van travestieten betrekkelijk nieuw is in de prostitutie. Maar sommige publieke vrouwen verkleedden zich twee eeuwen geleden al als man. Meestal deden ze dat omdat ze ‘als man’ meer bewegingsvrijheid hadden. Vrouwen die alleen op straat liepen, waren immers al snel verdacht. Maar ze trokken ook om andere redenen mannenkleren aan. Uit het Amsterdam van de zeventiende eeuw komt bijvoorbeeld het verhaal van een prostituee die zich omwille van de erotische prikkeling had uitgedost als ‘Persiaan’, dat wil zeggen als lid van een Armeense christelijke groep met een eigen stijl van kleden.
Tot 1993 waren travestieten en transseksuelen betrekkelijk moeiteloos geïntegreerd in de vrouwenprostitutie. Toen de eerste transseksuelen van buiten de Europese Unie op de tippelzones verschenen, gingen zij de aandacht trekken. Op 'piekuren' waren zij zelfs in de meerderheid. Hun aanwezigheid strookte echter niet met de doelstelling van tippelzones: hulpverlening aan verslaafden. De druggebruikende vrouwen voelden zich door hen overheerst en waren bang het onderspit te delven in de concurrentiestrijd met deze niet-verslaafde vrouwen in glamour uitmonstering.
In de periode dat de politie Amsterdam streng op de tippelzones aan het controleren was, kwam een grote groep latina’s van de Amsterdamse tippelzone naar kantoor. Zij wilden weten of het voornemen tot een geslachtsverandering reden was voor politiek asiel. Zij zijn met die vraag doorverwezen naar de genderkliniek. Anderen zijn op de B 9 regeling gewezen. (Zie ook Atalantas)
Rotterdam heeft de naam de hotspot voor transseksuelen te zijn. Er zijn daar speciale huizen voor hen met kleurrijke namen als de Transseksjuweeltjes, waar ook enkele Braziliaansen werkten.
Zij beklaagden zich er bijvoorbeeld over dat de lokale televisie niet van plan was een promotiefilmpje over hen uit te zenden. Ook hebben zij een poging ondernomen een gezamenlijke actie te organiseren om de tippelzone uiterlijk wat aantrekkelijker te maken, een minga , zoals een gezamenlijke opknapbeurt wordt genoemd. Maar het was er niet altijd rozengeur en maneschijn. Zij maakten betrekkelijk vaak gewag van geweld door klanten. Wij hebben niet kunnen achterhalen waarom dat was: mogelijk hadden klanten – die over het algemeen in het dagelijks leven hetero zijn- na de daad spijt van hun grensoverschrijdend seksueel gedrag.
Twente
De Rode Draad heeft met financiële steun van het Ministerie van Justitie zich extra kunnen richten op Zuid-Amerikaanse prostituees. Voordat dit zogeheten Latina project van start ging, waren we enkele malen in Twente geweest om te proberen contact te krijgen met de vele Braziliaansen die daar zouden werken.
In 1998 merkten we dat de clubs met Braziliaansen moeilijk toegankelijk voor ons waren. We kregen destijds de vraag of we van De Zwarte Draad waren. Men zei dat de meisjes aan het werk waren en dat de GGD ook alleen maar buiten werktijd mocht komen. De bedrijfsleiding bepaalde dus met wie de vrouwen spraken.
‘Het gaat toch prima hier? Waarom moet alles ineens anders?’, verzuchtten later enkele deelnemers aan een discussieavond over prostitutie in Enschede. In de loop van het debat bleek echter hoe prima het in Enschede ging. Veel vrouwen gebruikten abortus als anticonceptiemiddel – wat iets zei over het condoomgebruik. Wanneer ze ondanks alle inspanningen van de GGD, toch nog aids kregen, werden ze zonder pardon teruggestuurd.
De autoriteiten lieten het jarenlang toe dat Braziliaanse vrouwen een paar maanden in Enschedese clubs werkten. Zij kwamen via Paramaribo, vooral uit de Diamond Club daar, naar Nederland. Criminologen die destijds de Twentse criminele scene onder de loep hebben genomen, beweerden dat het pure vrouwenhandel was. Ook Braziliaanse ngo’s (niet- gouvermentele organisaties) hoorden van vrouwen die terugkeerden dat ze via kanalen van vrouwenhandel naar Nederland waren gehaald.
In een rapport uit Brazilië wordt de werkwijze van een netwerk uit Belem beschreven. Dit netwerk verhandelde vrouwen naar Suriname en vervolgens naar Enschede. Deze vrouwen vertrokken met de belofte dat er in Suriname net iets meer aan klanten te verdienen viel dan in Brazilië. Het rapport beschrijft bijvoorbeeld de lotgevallen van een vrouw die naar Belem was gelokt. Zij was verloofd met de Nederlander Raymon Fongpoen. Zij en haar lotgenoten werden per taxi naar Suriname gebracht. Eenmaal in Paramaribo moesten ze direct naar de Diamond Club. Een Nederlandse vrouw die zowel in Nederland als Suriname clubs bezat zocht in de Diamond Club meisjes uit voor haar club in Nederland.
De handlangers van Fongpoen heetten Telma en Tanja. In de Diamond Club werden de vrouwen gevangen gehouden. De exploitant vond het niet nodig om op soa’s bij de vrouwen acht te slaan. Er werkten meer dan 100 vrouwen die elk 100 dollar per dag moesten afdragen. Ze zouden ook voor drugshandel zijn ingezet. Ook werden ze verplicht een tatoeage te laten aanbrengen zodat ze altijd zouden weten wie hun eigenaar was. De eigenaar van Diamond Club, Henk Kunatt, zou contacten hebben met een luchtvaartmaatschappij. Zo zijn zeker 90 vrouwen naar Nederland gebracht. Die handel met Brazilië werd in Nederland geregeld door een soort kartel dat de markt in Enschede en in het naburige Hengelo beheerste.
Naar verluidt wisten deze Braziliaanse vrouwen dat ze als prostituee moesten gaan werken. Ze zouden al blij geweest zijn dat ze de nog slechtere omstandigheden in Paramaribo konden ontvluchten. Maar ook al wisten dat ze de prostitutie ingingen, dan konden ze toch slachtoffer van vrouwenhandel zijn. Voor huisvesting in Nederland waren ze totaal afhankelijk van de exploitant. Wanneer ze weg wilden, moesten ze soms eerst hun vliegticket terugverdienen. Medio jaren tachtig kwamen enkele Braziliaansen om toen een club in Enschede afbrandde. Aangestoken? De verhalen blijven vaag.
Halverwege de jaren negentig verschenen er berichten in de pers dat de Enschedese scene was verhard. In die periode werd een willekeurig echtpaar slachtoffer van een ruzie in het milieu. Bij een schietpartij in Rotterdam die een uitvloeisel was van deze kwestie is een politieagente doodgeschoten.
Een bijkomend probleem was dat er veel drugs in de prostitutiewereld zat aldus enkele kenners van het Twentse. Drugshandelaren zouden gebruikende prostituees mee ‘uit’ nemen en ze ondertussen van drugs voorzien.
In 2000 is het tolerantiebeleid van de politie afgeschaft. Toen heeft de politie ook de lijn Brazilië- Paramaribo- Enschede opgerold, maar het is mogelijk dat er een nieuwe lijn is geopend, maar niet noodzakelijkerwijze naar Enschede. Nog steeds komen veel Braziliaanse vrouwen in clubs in Paramaribo terecht. Reislustige klanten bevestigen op hookers.nl dat in bijvoorbeeld Club Condor van de Nederlands sprekende Azzevido maar ook in Club Marcia in Paramaribo een Braziliaanse het voor 20-40 euro zonder condoom doet.
Uitbuiting in de prostitutie
Uitbuiting is nog in ruime mate in de prostitutie aanwezig, maar dat komt niet uitsluitend door mensenhandelaren. Van uitbuiting is bijvoorbeeld sprake wanneer de prostituee meer moeten betalen dan op papier is overeengekomen, onder een (oneerlijk) percentagesysteem werkt, wanneer ze gedwongen wordt langere dagen te maken dan ze wil en wanneer een boodschappenjongen in een raamgebied tien euro vraagt om een broodje kroket te halen. Ook wanneer vrouwen zonder de juiste documenten en onder voorwaarden moeten werken die een ingeburgerde vrouw nooit zou accepteren, deugt er iets niet. Dat is ook het geval als de arbeidsrelaties en de arbeidsvoorwaarden de toets van het Nederlandse arbeidsrecht niet kunnen doorstaan.
Andere profiteurs pikken ook een graantje mee: zogenaamde juridische adviseurs, wonderdokters en malafide boekhouders. Taxichauffeurs vangen van exploitanten en soms ook van prostituees flinke sommen geld voor het aanbrengen van klanten. Soms 100 euro per klant, wat meer is dan de prostituee aan hem verdient. Daarnaast slaat een heel circuit van toeleveringsbedrijven munt uit prostitutie. Ook blijft door middel van fooien aan hotel- en barpersoneel het nodige aan de strijkstok hangen. Aan hen wordt in de beleidsvorming nauwelijks aandacht besteed.
Aangezien het mensenhandelartikel wordt uitgebreid moet het begrip uitbuiting voor iedere werksituatie worden gedefinieerd. Deze luidt in internationale documenten als volgt: uitbuiting is misbruik van machtspositie om voordeel uit een ander te trekken.
Uitzendbureau
Hoewel er altijd veel media- aandacht is geweest voor plannen voor uitzendbureaus voor prostituees, zijn die nooit gerealiseerd. De eerste plannen dateren uit 1994 toen het PIC (Prostitutie Informatie Centrum) vlak na haar opening een uitzendbureau begon en al spoedig sloot omdat het geen haalbare kaart was.
In 1996 is in Drente een wereldschokkend initiatief genomen tot een uitzendbureau voor prostituees. Dit bleek malafide te zijn.
In 1996 lanceerden twee juristen een plan om buitenlandse prostituees legaal krachtens de Wet Arbeid Vreemdelingen via een uitzendbureau te laten werken. Dit plan kreeg veel publiciteit en daar bleef het bij.
Na de val van De Muur konden uitzendbureaus profiteren van de deregulering van het uitzendwezen door schijnconstructies voor bijvoorbeeld illegale Polen te ontwerpen. Zij wilden prostituees ook wel ‘meenemen’ in hun aanbod. Zo was er een uitzendbureau voor steigerbouwers dat ook bereid was ‘huisvrouwtjes die een wip wilden maken voor het minimumloon in loondienst te nemen’.
In 2000 ontstond er weer een nieuw uitzendbureau dat anoniem prostituees zou leveren via het CWI (Centrum voor Werk en Inkomen). Men adverteerde zelfs. De Rode Draad heeft zogenaamd gesolliciteerd, maar het bewuste uitzendbureau kon bijvoorbeeld niet eens zeggen of het beloofde bruto bedrag per maand voor parttime of fulltime werk was. Wederom veel publiciteit en weinig inhoud. Tot nu toe heeft nog geen van de grote uitzendbureaus belangstelling voor de branche getoond. De Rode Draad pleit voor het inschakelen van reguliere bureaus die het keurmerk van de uitzendbranche voeren.
Veldwerk
De meeste prostituees laten geen adres achter bij De Rode Draad en vinden het kantoor te ver weg. Daarom bezoekt de Rode Draad de vrouwen op hun werkplek, een activiteit die we veldwerk noemen. Het is een heidens karwei voor een kleine organisatie om alle prostituees te bereiken. Het verloop in de seksindustrie is groot, we worden niet altijd binnengelaten en de ‘meisjes’ zijn er ook niet altijd. Vandaar dat we regelmatig te horen krijgen ‘dat je die Rode Draad nooit ziet’.
We streven ernaar om zoveel mogelijk met Russisch of Spaans sprekende vrouwen op veldwerk te gaan. Over het algemeen proberen we het per provincie te organiseren. We stellen ons tot doel ieder bedrijf twee keer per jaar te bezoeken.
We richten ons ook op specifieke groepen. Twee mannelijke veldwerkers gaan naar jongensclubs.
Met twee Thaise vrijwilligers bezochten we Thaise massagehuizen.
Soms lukt het niet om binnen te komen. (Zie onder exploitantisme) En als het wel lukt, krijgen we ter plekke niet altijd de klachten te horen. Meestal komt dat omdat de exploitant hinderlijk aanwezig is. Wel bellen vrouwen vaak een paar dagen later om te vertellen hoe het echt zit. Ook gaven ze soms door middel van lichaamstaal aan dat ze niet vrijuit konden spreken. Daarnaast komt het voor dat vrouwen ons bellen om te vragen of we ‘zogenaamd’ toevallig langs kunnen komen. Deze activiteit levert een schat aan informatie op. We gebruiken die in onderhandelingen over modelcontracten en voor onze publicaties.
Verdiensten
Wij hebben aan de hand van internetsites waar klanten met elkaar communiceren berekend dat de gemiddelde besloten gelegenheid 70-100 euro per uur rekent. Bij navraag blijkt dat prostituees in dat soort bedrijven zo’n drie klanten per avond hebben. De gemiddelde omzet per avond is 90- 110 euro. Gelet op de tijd die prostituees doorgaans verdoen met wachten op klanten en de kosten van kamerhuur, blijft er gemiddeld 20 euro per uur bruto over. Daar gaan 19% BTW en kosten voor taxi’s, kleding, make-up en dergelijke van af. Ter vergelijking: een zelfstandig werkende in de bouw moet al 30 euro bruto per uur rekenen om de kosten eruit te halen.
Dit gaat op voor alle takken van prostitutie. Een (niet-verslaafde) straatprostituee houdt omgerekend per gewerkt uur evenveel over als een escort. Daar worden immers ook ongunstige percentageregelingen gehanteerd. Aangezien een escort veel moet reizen is meer dan één klant per gewerkte avond meestal niet haalbaar. Zij wordt tevens geacht de chauffeur te betalen. Een bruto omzet van 70 euro per werkdag van 8 uur is niet ongebruikelijk, maar wij horen ook dat escorts met 40 euro bruto omzet per avond genoegen moeten nemen.
In sommige raamgebieden liggen de prijzen voor seksuele dienstverlening op 35- 50 euro. Maar in andere straten en steden betalen klanten slechts 15 euro. Op de klantensites op Internet valt te lezen dat klanten liever van Groningen naar Leeuwarden rijden dan tien euro extra uitgeven.
Ook op de tippelzones verschillen de prijzen. Soms lukt het prostituees een behoorlijke prijs te bedingen. Maar een prijspeil van 5 tot 8 euro komt helaas maar al te vaak voor. In veel clubs en privé-huizen liggen de prijzen vast waardoor prostituees niet zelf hun verdiensten kunnen opschroeven.
Gezien de mentale en fysieke zwaarte van het werk, vallen de verdiensten tegen. Dit komt onder andere door de hoge raamhuren, de beperkte mogelijkheid om de eigen prijzen te bepalen en de verstoring van de markt door mannen/vrouwen die in afhankelijkheidsrelaties werken. Een vrije marktwerking veronderstelt immers gelijkwaardige partners wat niet opgaat voor mensen die onder druk worden gezet zelfstandige ondernemer te worden of in een uitbuitingssituatie verkeren.
Door alle heffingen en verplichtingen vragen prostituees zich af of hun beroep nog wel lonend is. De prijzen in de prostitutie zijn de laatste jaren zelfs niet met de normale prijsstijgingen meegegaan. Veel prostituees geven aan dat de invoering van de euro hierin ook een rol speelt. In andere sectoren zijn de prijzen gestegen, maar in de prostitutie is kennelijk het omgekeerde gebeurd.
Het is moeilijk te bepalen hoe hoog het inkomen moet zijn. Er moet namelijk niet alleen rekening worden gehouden met de fysieke en de mentale zwaarte van het beroep, maar ook met de betrekkelijke korte duur van een carrière in de prostitutie.
Waarom doen mensen dan nog dat werk, is een voor de hand liggende vraag. Een van de voordelen is dat het werk is waar geen formele opleiding voor nodig is en waar – binnen bepaalde grenzen- de werktijden zijn aan te passen. Bovendien heeft het de glamour van het snelle geld. Doordat er meestal contant wordt uitbetaald, lijken de verdiensten hoog. Dat imago houden overigens vrouwen zelf ook in stand. ‘Gisteren een klant van 200 euro gehad’. Maar wat hield ze ervan over? En wat had ze eergisteren verdiend? Door dat soort vragen gaan prostituees bedenkelijk kijken. Door optimistische verhalen te vertellen, wordt het stigmatiserende werk gerechtvaardigd.
Zweden
Nederland en Zweden lijken op het gebied van prostitutiebeleid in Europa twee uitersten te vormen. Hoewel het doel van het beleid van de twee landen hetzelfde is: het bestrijden van dwang en geweld in de prostitutie, is de uitwerking van dit uitgangspunt totaal verschillend. In Zweden hoopt men de prostitutie af te schaffen door prostituees als slachtoffer te beschouwen en klanten strafbaar te stellen. Nu komt het zelden of nooit tot een veroordeling, maar Zweden is tevreden. De Zweedse autoriteiten wilden de wereld laten zien dat ze in het belang van vrouwen een daad hebben gesteld. Weer een prima voorbeeld van bescherming die een averechts effect heeft. Het werken is er voor prostituees alleen maar moeilijker en gevaarlijker geworden. Het geweld van klanten is toegenomen De prijzen zijn gedaald omdat klanten vinden dat ze ook risico lopen. Zelfstandig klanten zoeken is er niet bij, dus allerlei onduidelijke tussenpersonen ‘regelen’ het wel even. Gelukkig kunnen zowel prostituees als klanten vanuit Malmö gemakkelijk naar Denemarken over de brug die een paar jaar geleden gereed is gekomen.
ZZP
‘Ik ben ondernemer zonder personeel want mijn personeel is net weggelopen, nu kan ik lid worden van de vakbond’ zei een exploitant die we tijdens veldwerk tegenkwamen. We konden hem uit de droom helpen. Hij was geen zzp’er. (Zelfstandige zonder personeel) ofwel een eenmansbedrijf. Daar zijn er veel van, want in de jaren negentig ging men in veel bedrijfstakken- en niet alleen in de prostitutie- ertoe over met zzp’ers te werken. Dat paste in de wens van ‘flexibilisering’ van de arbeid. Dit is zelfs een internationale ontwikkeling. Vooral in Derde Wereldlanden komt het papieren zelfstandige ondernemerschap veel voor. Dit dient om de loonkosten en de afdrachten voor sociale zekerheid te drukken. Een ramp, want dan komt er bijna geen belastinggeld binnen voor algemene voorzieningen. Dit is een reden voor de internationale vakbeweging om zich behalve op loondienstverhoudingen, ook op het fenomeen zzp te gaan richten. In 1997 heeft het FNV een aparte afdeling voor zzp ‘ers opgericht.











