
- Zusterorganisatie Hydra uit Berlijn houdt een actie om condoomgebruik te promoten.
Terry van der Zijden was voor De Rode Draad uitgenodigd om in Berlijn het verschil tussen het Nederlandse en Zweedse beleid toe te lichten. In Zweden hebben feministen furore gemaakt door de strafbaarstelling van klanten van sekswerkers als officieel beleidsuitgangspunt van de Zweedse regering te maken.
(2000)
Terry van der Zijden naar aanleiding van het debat tussen voorstanders (Nederland) en tegenstanders (Zweden) van legalisatie van prostitutie.
Ín een van de meest geliefde vrouwenmagazines in Nederland – namelijk de Viva, verschenen 29 mei 2000- las ik een interview met Monique, prostituee. Dit was aangekondigd onder de kop Ïk mag het absoluut niet lekker vinden.” Haar woordkeuze geeft aan dat ze mogelijk plezier in haar werk heeft en wellicht aan het lichamelijke aspect genot beleeft. Maar dat is haar kennelijk niet toegestaan. Niet door anderen en niet door haarzelf.
Met deze ene zin ïk mag het absoluut niet lekker vinden”, kom ik direct bij de kern van het probleem. De sekswerker zegt wat de maatschappij wil horen namelijk: “genieten van seks mag, mits je er niet voor betaald wordt.
De tegenstander van legalisatie van prostitutie baseert zijn denken onder andere op deze maatschappelijke norm. Het gevoel van de sekswerker zegt soms iets helemaal anders namelijk “soms geniet ik er ervan”. De voorstander van legalisatie van prostitutie baseert zijn denken op wat de sekswerker zelf zegt namelijk het mogelijk plezier in haar werk. Dit laatste sluit volledig aan bij die andere maatschappelijke norm te weten arbeidsvreugde.
Om een en ander te illustreren wil ik iets vertellen over mijn persoonlijke geschiedenis en over onze strijd om te komen waar we nu zijn. Ik wil benadrukken dat mijn persoonlijke geschiedenis geen uitzondering is, maar model staat voor een belangrijk deel van alle prostituees.
In 1986, alweer meer dan dertig jaar geleden, ontstonden er in mijn toenmalige werkkring, allerlei problemen waardoor het werken op mijn voorwaarden erg moeilijk werd gemaakt, en het plezier in mijn baan verdween. Ik besloot van baan te veranderen maar ik mocht niet minder gaan verdienen en het moest mij leuk werk lijken.
In die tijd was het denken over seks enorm aan veranderingen onderhevig. Er werd openlijk over seks gesproken, geschreven en het werd veelvuldig gedaan. Met partner, zonder partner, met een geruilde partner, in trio’s of in groepsvorm. Hoeren werden gastvrouwen. Hoerenlopers waren niet meer de oude vieze of hunkerende mannetjes, maar waren mannen van alle leeftijden en alle rangen en standen, alles moest kunnen in die tijd, dus waarom niet gaan werken in een seksclub? Het leek me leuk en het verdiende goed. Ik heb niet voor honderd procent vrij kunnen kiezen voor werk in de prostitutie. Ik kon namelijk niet langer meer wachten op de droombaan die ik voor ogen had en er moest toch brood op de plank komen. Iedere andere baan buiten de prostitutie zou ook geen vrije keuze zijn geweest.
Eén ding viel me al heel snel tegen. Je kon met niemand over je werk praten. Binnen de club kon dat niet omdat je daar geacht werd zo professioneel te zijn dat er niets te bepraten viel. En buiten de club niet, omdat er van je verwacht werd dat je je schaamde al deze dingen voor geld te doen. Ik voelde me niet lekker. Niet mijn werk maakte me ziek, maar het hebben van zoveel geheimen. Waar kon ik vertellen dat ik de klanten wel kuste als ik daar zin in had? Tegen wie kon ik vertellen dat ik de seks als een persoonlijk experiment opvatte? Bij welke collega was het veilig om te vertellen dat ik seks als een zeer goed te doseren genot beschouwde?
Het onderhandelen over de prijs en de te leveren diensten werd in de club en ook later in andere bordelen door de bedrijfsleiding als zo’n vanzelfsprekende vaardigheid gezien dat ik zelfs daar niet meer trots op kon zijn.
Ondanks alles wilde ik toch als sekswerker blijven werken, alleen niet onder de omstandigheden van geheimhouding, ontkenning en onderwaardering van kwaliteiten. Toen ik een keer commentaar had op de kwaliteit van de bedden, waar we toch een belangrijk deel van onze werktijd op doorbrachten, kreeg ik het volgende te horen:” jij denkt zeker dat we jullie op waterbedden laten werken, maar ik weet niet eens zeker of ik morgen nog wel besta. Als de gemeente het in de kop haalt om morgen de tent te sluiten, heb ik geen poot om op te staan, en is mijn hele investering weggegooid geld.”
Ineens werd mij het een en ander duidelijk. Als vrouwen graag willen blijven werken in dit beroep, willen zij dit onder omstandigheden vergelijkbaar met andere beroepen. Hiervoor zal eerst een kader geschapen moeten worden waarin dat wettelijk mogelijk is. Dit kader is ook een voorwaarde om over wantoestanden te kunnen praten en er iets aan te kunnen doen. Wantoestanden zoals daar zijn: vrouwen die hun verdiende geld niet zelf in handen kunnen krijgen, omringd worden door criminele figuren, te lange werktijden hebben en seksuele intimidatie door bazen en klanten.
Wij traden openlijk naar buiten en begonnen de strijd voor het afschaffen van wetten die de normalisering in de weg stonden. Er kwam een hoerenbelangengroepering: De Rode Draad en er onstond de Stichting tegen Vrouwenhandel. Vanuit feministische kringen kwam ondersteuning: De Roze Draad.
We sloten ons aan bij de feministische gedachte dat vrouwenonderdrukking moest stoppen en niet alleen in de persoonlijke sfeer. Juist in onze situatie, zonder meldpunt, zonder vakbond maar wel met dezelfde machtsstructuren als in andere branches werd deze alliantie van Hoeren en Feministen zo belangrijk.
Dit alles leidde tot internationale congressen. In 1986 op het “Second Whores World Congress in het Europees Parlement in Brussel, waren wij duidelijk: vrouwen moeten het recht hebben dit werk te weigeren en ook het recht hebben dit werk te doen.
We zijn nu veertien jaar verder. De wetgeving is veranderd. Het juiste kader is er om wantoestanden aan te pakken. De weg is vrij om van werk in de prostitutie werk onder leuke omstandigheden te maken zodat de komende jaren sekswerkers m/v openlijk en vrij overal over hun werk kunnen praten. Ze kunnen dan misschien vertellen wat ze leuk en wat ze minder leuk vinden. Het zal dan – zoals Monique in het Viva- interview- niet meer nodig zijn te zeggen dat je het absoluut niet lekker mag vinden.
Terry van der Zijden
2000











